Jabik Veenbaas
geboorte van een stad
de aarde en het water liggen daar als dwingende vragen
waarop de mens zijn merkwaardige antwoorden geeft:
knuppel de slangen dood
zet een wachter aan de poort
benoem een burgemeester
een knop gaat open een jongen wordt man een
ziekte wordt zichtbaar zo
wordt een stad geboren waar drie
in gods naam vergaderd zijn verrijst een kerk waar zeven
gebroederlijk drinken bevindt zich een herberg waar tien
op een straathoek staan breekt een oproer uit
op een avond heft iemand een beker
en verklaart de stad zijn liefde de kalme waard
glimlacht om zoveel overmoed
want de stad ontkomt nooit aan haar oorsprong
zoals die zomer dat er meisjes verdwijnen
zoals die nacht dat de stad brandt
en de rivier schuimbekkend aan haar kettingen rukt
de eerste toren valt wie zal dat verbazen
de hoeren en de stervenden niet
station
eindeloze treinen. hoe vaak
liet ik me niet meevoeren door die
verleiders ik schampte me aan
messcherpe bergkam tot stof verviel ik
op verveelde wegen
was er een stad zonder stations, ik zou
er willen slapen, in de donkere spiegel
van een gracht, in de schuilkelders onder
een eeuwenoud huis, van een man met een vaderhoed
een harige hond en een vrouw met brede, weke armen
die warm bij de kachel draagt
blijmoedige kinderen
© Jabik Veenbaas
Nieuwe gedichten van Jabik Veenbaas, die na enige Friestalige dichtbundels dit jaar met zijn Nederlandstalig debuut komt.