Jabik Veenbaas

geboorte van een stad

de aarde en het water liggen daar als dwingende vragen
waarop de mens zijn merkwaardige antwoorden geeft:
knuppel de slangen dood
zet een wachter aan de poort
benoem een burgemeester

een knop gaat open een jongen wordt man een
ziekte wordt zichtbaar zo
wordt een stad geboren waar drie
in gods naam vergaderd zijn verrijst een kerk waar zeven
gebroederlijk drinken bevindt zich een herberg waar tien
op een straathoek staan breekt een oproer uit

op een avond heft iemand een beker
en verklaart de stad zijn liefde de kalme waard
glimlacht om zoveel overmoed

want de stad ontkomt nooit aan haar oorsprong
zoals die zomer dat er meisjes verdwijnen
zoals die nacht dat de stad brandt
en de rivier schuimbekkend aan haar kettingen rukt
de eerste toren valt wie zal dat verbazen
de hoeren en de stervenden niet

station

eindeloze treinen. hoe vaak
liet ik me niet meevoeren door die
verleiders ik schampte me aan
messcherpe bergkam tot stof verviel ik
op verveelde wegen

was er een stad zonder stations, ik zou
er willen slapen, in de donkere spiegel
van een gracht, in de schuilkelders onder
een eeuwenoud huis, van een man met een vaderhoed
een harige hond en een vrouw met brede, weke armen
die warm bij de kachel draagt
blijmoedige kinderen

© Jabik Veenbaas

Nieuwe gedichten van Jabik Veenbaas, die na enige Friestalige dichtbundels dit jaar met zijn Nederlandstalig debuut komt.

Thomas Blondeau

afgesproken

gaat het nog steeds om het gevecht
om het gestotter met de bajonet die
ik vond in de aangekoekte modder
van alle dingen te geef bij de lommerd
zijn beurse hoofd vol licht

tuurlijk gaat het hier van dag jij
en van je houden zoals men in de winter
doet en met je poten vastzitten
in de slib die nog in het bed ligt
van die keer dat je uit je oevers trad

in de vervoeging van toen
persen onze gesprekken de wereld tot schuim
onder tafel gooit ons nooit gekregen rotjoch
schitterende stuiters

© Thomas Blondeau

Thomas Blondeau schreef twee romans. Meest recente: Donderhart. Voor Cobra is hij Boekendokter.

Onno Kosters

Kuilgras

We verzwaren de hoop met zand en met banden opdat
het dekzeil niet steeds aan de buitenlucht rammelt,
verwaait, in het niks klapperend opgaat.

U weet wel: stormvogels duikvliegen
naar gedierte dat leeft in de kluiten op het zeil
beneden die banden. Om het gras dat geen kuil vult.

De hoop kent vele vormen. Een daarvan is
die van een schedel van wat eens een mooi gezicht was.

© Onno Kosters

Onno Kosters: de Doelverdediger van de Nederlandse poëzie

Dennis Gaens

Blues voor mijn Belgen (in a)

Ik blijf wakker om je dit te schrijven en
dat is wat waard, want ik slaap graag.

Ik draag nog steeds dezelfde kleren, kan
nog altijd geen baard laten staan, maar
doe mijn best.

Ik ben trager vandaag de dag en trek me
vaker terug. Vraag niet: het komt goed.

Zoek me op:
ik heb verhalen.

© Dennis Gaens

Dennis Gaens is dichter en werkt bij De Wintertuin. Tijdens de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd werd hij derde.

Dimitri Antonissen

Dit gedicht, “Koelkasten”, is “geschrapt” uit De Standaard van 13/03/2010. Dimitri Antonissen is namelijk een schrijver die niet schrijft, maar schrapt. Op 3 april verschijnt zijn debuutbundel Schrap me bij Wintertuin. Zijn stiftgedichten zijn ook te lezen op deze website. Klik op de link onder het gedicht voor een filmpje.

Koelkasten

Koelkasten (www.stiftgedichten.com) from Dimitri Antonissen on Vimeo.

Guido Utermark

Dit is een uitnodiging

Niemand wordt geboren met
een jas van vuilnisbakkenhaar
of de angst om de telefoon op te nemen

ik heb mensen gezien
die uit het goud
en het witleer kwamen
zonlicht voedde hun onrust

kinderen zwemmen met neerwaartse hoofden
door donkere kamers
van een geheel uit zwerfvuil opgetrokken stad

een oude vrouw loopt met haar rug
tegen de tijd in het station uit
vormgeving dwingt de ogen

in de verte
het halve schip op hoge poten

Het voorsorteren van gedachten

Een vrouw met een burn-out
en in het bos met iedere boom
een persoonlijke band
maakt letterlijk haar hoofd leeg
fixeert, isoleert, purgeert
elke mogelijke gedachte
ze zeiden haar
je hoofd moet in het gips
typisch een gevalletje voor
het instituut voor fysieke veiligheid
lijkt mij

De vierde macht

Via mini wok & sim-unlock
naar het Alzheimercafé in Papland
de treincoupe lijkt een internationaal kantoor
met klachten over koude stoelen

die ene tunnel, legaal spuitgebied
voor hoogstpersoonlijke graffiti
verandert traditie zonder te vragen
in een Roti Palace blues

omroeper: door de nationale omkeerwerking
te Roermond gaat deze trein niet naar Venlo
waar het echte leven zich dan wel afspeelt
blijft me vooralsnog een raadsel

© Guido Utermark

Guido Utermark publiceerde her en der gedichten, die onlangs bij elkaar zijn gebracht in de bundel Ik ben een stad ommuurd door dromen.

Joop Leibbrand

Met scherp

Fabianne Cherisma had in Port-au-Prince geluk.
Ze overleefde, kon op zoek naar verder bestaan.
Vond onverwachte schatten, rende met wel drie
kunststukken weg - de krant sprak van wanddecoraties.

Een van de taferelen laat zich zien: een sierkom
met daarin een plant met paarse bloemen,
dezelfde kleur als het patroon van haar jurk.
Foto of schilderij, ze moet het mooi gevonden hebben.

Deze was voor thuis, de andere vielen voor nuttiger
te ruilen, papa en mama konden trots op haar zijn.
Voorover ligt zij en haar hoofd past precies in een lijst.

Een stroompje bloed boetseerde een grillige arabesk.
Een schot volstond en daarvoor was rechtvaardiging
genoeg. Vijftien, geen kans dat zij nog werd gered.

© Joop Leibbrand

Joop Leibbrand is Stadsdichter van Den Helder en verbonden aan Meander.

Cees Buitendijk

Toen ik van mijn Moeder nog
geen koffie mocht drinken.

Amper acht jaar oud voerde
ik legers van Tin aan
de dood had ik al eerder
gezien op het Ganzebord.
en aan het graf van mijn zusje.

In een bloedig gevecht
op Jabo
had ik het Franse leger
verslagen en werd laat die
avond gekroond tot koning
van Frankrijk.

Dezelfde avond vroeg ik
mijn moeder die ik had
bevorderd tot Hofdame
om een kop koffie
maar zij vond mij nog te
jong voor cafeïne.

© Cees Buitendijk

Ivo Allewaert

statistisch gezien

iedereen heeft zijn eigen geur
meegebracht om mee te dansen
met lege handen doe ik maar alsof
ik praat tegen een luchtgitarist en wacht

tot een meisje mij redt uit het gesprek
door dronken van de trap te vallen
ik vouw haar, uit dankbaarheid
tot ze niet meer stikken kan

in haar eigen kots, vredig
vormen we een kring rond haar
de luchtgitarist zegt een gebed op
voor de halfgod Jimi hendrix

held zijn, het is niet gemakkelijk
vol te houden, Rimbaud stopte
op zijn eenentwintigste met schrijven
ging later in de wapenhandel

daar ben ik al te oud voor geworden

stap voor stap

ik haal twee borden uit de kast
leg ze omgekeerd op papier
kijk haar aan en zeg:
doe gewoon hetzelfde als ik
met een potlood rond het bord
een cirkel maken, uitknippen
en vouwen, nog een keer
nog een keer 

nu mag je knippen 

in Siberië, zeg ik, is het zo koud 
dat ademwolkjes meteen bevriezen 
en neerdalen als sneeuw
dat maakt een geluid
de Russen noemen dit
‘het fluisteren van de sterren’ 
mooi zegt ze, en knipt verder
zucht, blaast, de vlok van papier
is een beetje te dik

in Siberië zijn er elk jaar mensen 
die op een onverwacht moment 
in een hevige sneeuwstorm verdwijnen
maanden later, als het begint te dooien
zullen ze beetje bij beetje tevoorschijn komen
en door de Russen ‘sneeuwklokjes’ worden genoemd 

dat hou ik nog voor later

Ivo Allewaert (1980) Publiceerde eerder poëzie in literaire tijdschriften als De Brakke Hond, Digther en Op Ruwe Planken. Op het wereldwijde web zijn teksten van hem terug te vinden op Meander, De Contrabas en villanella.be. Meer info is te lezen op zijn website

Adriaan Krabbendam

In het jaar 5963

In het jaar 5963
poetst de maan haar wangen aan de heuvels
en overal uit de gulle grond groeien de huizen
de dieren de zwemmers de kinderen
schudden het zand uit hun haren
en de huizen de huizen groeien en slapen
verslapen zich in het geduldige gras

In het jaar 5963
krijgen de huizen weer vleugels
baren de vrouwen weer wasgoed
voor hun mannen hun zonen rondom
sparen we zegel op zegel
voor de schutterige muren
die zich losschudden uit hun
dommige dromen

In het jaar 5963
broeden de duinen op vee
treffen kinderen windstilte
in de vingers en vinnen van de
onmetelijke dag

In het jaar 5963
gaan de vogels op stelten
is de weg vrij voor water en aarde
wordt nog zelden de zwarte doos geraadpleegd
waarin je vrienden zich zo vaak verstoppen
gaan we voorbij

In het jaar 5963
houdt zelfs de zon
zich aan de grondwet
vindt de graver het handschrift
van al wat oermens en afgrond is
zint de walvis op zijn nieuwste poten

Een eenmaal afgelegde afstand
wordt nooit meer herhaald
en nergens vergeten

En wat ze ook zeggen en schrijven
overal zingt de zee

Adriaan Krabbendam is redacteur, publicist en dichter. Zijn website vindt u hier.