Geëindigd bij de G
Terwijl ik dit stukje schrijf, dinsdag 26 september, wordt in Den Haag de jonge dichter en literatuurwetenschapper Jeroen Mettes (1978-2006) gecremeerd. Hij maakte zelf een einde aan zijn leven. Ik heb hem nooit ontmoet, op het internet zoek ik tevergeefs naar zijn geboortedag om te weten of hij al 28 jaar was of nog moest worden op het moment dat hij besloot dat het genoeg was geweest.
Waarom hij zo jong uit het leven stapte? Ik kan er maar naar gissen, zoals zovelen die hem alleen maar ‘van lezen’ kenden. Op zijn weblog schreef een vriend dat hij al jaren depressief was.
Mettes publiceerde slechts enkele gedichten en essays in de literaire tijdschriften Parmentier en Yang (waarvan hij sinds kort ook redacteur was geworden). Bij het literaire internetwereldje genoot hij bekendheid als een gedreven weblogger. Zijn weblog, ‘Poëzienotities’, behoorde tot de interessantste van het taalgebied. Ik leerde zijn blog kennen door het essay van Jos Joosten over ‘recenseren in tijden van internet en weblog’ (pdf) waarin Mettes genoemd werd als voorbeeld van iemand die door de snelheid van het internet “ineens alomtegenwoordig was” in het poëziedebat. Terecht, meende Joosten (en ik sluit me volmondig bij hem aan), want Mettes’ bijdragen getuigden van “een scherp inzicht, uitgesproken opinies en een fraaie pen”.
Op 21 september was Mettes voor het laatst actief op zijn weblog. Hij postte om 2u19 ’s nachts een leeg bericht. Geen uitleg: alleen wit. ’s Ochtends kwam er een eerste reactie van Chrétien Breukers, ook een verwoed blogger: “Zeer origineel, deze recensie van Leegte, leegte die ademt”. Breukers veronderstelde dat Mettes met zijn lege posting reageerde op de essaybundel van Yra van Dijk; over ‘het typografisch wit in de moderne poëzie’, verschenen bij uitgeverij Vantilt.
“Posted by Jeroen Mettes” was de laatste keer doelbewust leeg, zo meldde een vriend echter enkele uren later. De literaire webloggers reageerden ontzet op het bericht van zijn zelfmoord, hoewel velen hem nooit ontmoet hadden, beschouwden ze hem als een persoonlijke vriend. “Verdomme,” zo schreef de dichter Ruben van Gogh: “Hij was een van de weinigen waarvan ik echt nieuwsgierig was wat hij over een aantal poëziekwesties te zeggen zou hebben.”
Xavier Roelens getuigde: “Het raakt me, meer dan ik me dat kan inbeelden van iemand die ik nog nooit ontmoet heb”, en Jos Joosten had het over “het verlies van een onvervangbare stem in de debatten”. De Vlaamse poëzieweblog ‘Parlandooooh!’ meldde: “Het ziet er naar uit dat zijn Dichtersalfabet voor eeuwig is blijven steken bij de G van Koenraad Goudeseune. Zijn website Poëzienotities voegde iets bijzonders toe in het Nederlandstalige poëzielandschap”.
Mettes begon met zijn weblog in juli 2005. Vrijwel meteen begon hij ook met zijn ‘Dichtersalfabet’. Hij besloot bij de poëziekast in de Haagse boekhandel Passage zijn “blogproject alfabetisch aan te pakken”, door systematisch auteurs te kiezen en individuele bundels te bespreken: “Zo’n bundel schaf ik aan en lees ik in het restaurant van de Hema onder het genot van een grote beker Coca-Cola Light.” Hij begon bij de A.
Zijn eerste bijdrage bevatte ook een soort beginselverklaring; “Poëzie is simpelweg dat wat in een gedicht niet te reduceren is tot tekst, vorm of inhoud.” Als doctorandus aan de universiteit van Leiden werkte hij aan een proefschrift over ‘poëzietheorie’, die hij echter niet los wilde zien van “een zeker subjectief engagement’. Hij hield van poëzie die “erkent dat er altijd wel ergens iets, op wat voor wijze dan ook, ontploft of op ontploffen staat.”
Zijn soms filosofisch onderbouwde, soms impressionistische bijdragen zorgden vaak voor levendige discussies. Hij wendde zich bijvoorbeeld niet af van de academische poëzie: “Ik schaar me niet onder de principiële vijanden van geleerdheid in poëzie. Waarom jezelf beperken tot de kont van je geliefde? Nee, daar mag best wat Griekse mythologie of kwantumtheorie tegenaan; dat kan die kont best hebben.” Ook mocht er meer wereld in de poëzie. Zo vroeg hij zich af waarom niemand een gedicht schreef over de Venezuelaansee president Hugo Chaves: “Is een (ongetwijfeld klein) wonder voor de armen een minder interessant onderwerp dan de (ongetwijfeld zeldzame) ervaring van het Niets of het Sublieme voor de gepriviligeerden?”
Na een zelfmoord speur je in het werk naar vooruitwijzingen. Ergens vermeldt hij de zelfmoord van Walter Benjamin en in mei 2006 noemt hij de sterfdag van Ian Curtis “één van de belangrijkste dagen op de zelfmoordkalender!”, maar verder zijn op op het weblog nauwelijks ‘zelfmoordverwijzingen’ te vinden. De laatste maanden kwam de poëzie er ook minder aan bod. Hij fulmineerde tegen de oorlog in Irak en Libanon en plaatste veeleer filmpjes in plaats van poëziebeschouwingen. Mede door zijn academische bezigheden werkte hij nog maar sporadisch zijn dichtersalfabet bij. Hij was bij de G gekomen, en in juni schreef hij nog opgewekt: “Oké, genoeg filmpjes. Komt eraan: De H van Harmens.”
Maar de H is niet gekomen. In de zomer leek hij moe te zijn. Zo schreef hij in juni: “Ik houd overal mee op en begin een broodjeszaak in de woestijn”. Maar dat is speculatie achteraf, want in juli merkte hij nog vrolijk op dat hij bepaalde frasen – zoals “voetbal is kunst” of “het einde van de grote verhalen” - niet meer wilde horen “in de tweede helft van 2006 en daarna”.
Helaas komt er geen daarna meer.
Johan Vandenbroucke in De Morgen op 27/09/06
(hv)