Eerbetoon Rita Demeester met DBH-redacteur

De Vlaamse schrijfster Rita Demeester (1946-1993) verwierf met haar door ziekte te vroeg afgebroken oeuvre een tijdlang een hoge reputatie, zeker als writer’s writer. Op 29 januari 2008 is het vijftien jaar geleden dat ze overleed. Bij die gelegenheid brengt het Antwerpse literaire organisator Behoud de Begeerte het huldeprogramma ‘Rita’ met onder meer Kamiel Vanhole, Didi de Paris, Kristien Hemmerechts, Brigitte Raskin en Johan Vandenbroucke die over leven en werk zullen spreken.

Lees meer bij de Papieren Man…

Literaire Living te Roeselare

livings.jpg

Afgelopen zondag was er Literaire Living in theaterzaal De Kleine Stooringhe te Roeselare. Gepresenteerd door Johan Vandenbroucke & Ann Meskens. Gasten waren: Ruth Lasters, Bernard Dewulf, Paul Rigolle, Peter Holvoet-Hanssen, Rino Feys en Reinout Verbeke.
Een fijn verslagje van een fijne avond, van de hand van Joost Vanbrussel te lezen bij Parlandoooooh!.

Voetnoot 511

Het zal de webmaster misschien aangenaam stemmen dat www.debrakkehond.be vermeld wordt in een voetnoot in de biografie, Ernest Mandel – Rebel tussen droom en daad (Houtekiet). De Nederlandse auteur Jan Willem Stutje schreef een lijvig werk over de Belgische marxistische econoom en trotskistische voorman Mandel. De biografie bevat meer dan duizend en vijfhonderd voetnoten en nr. 511 luidt als volgt: ‘J. Vandenbroucke, ‘De sportziel van De Satan’, www.brakkehond.be/67/brouc2.html
Het artikel waarnaar verwezen wordt, stond in het DBH-nummer dat verscheen naar aanleiding van de dertigste sterfdag van de auteur Roger van de Velde (1925-1970). Het belichtte een minder bekende activiteit van de auteur en begon met: “In 1956, lang voor hij als literair auteur debuteerde, was Roger van de Velde medewerker aan De Satan, een satirisch tijdschrift dat opgericht werd door Frans Buyens. Een vergeten voetnoot bij een schrijversleven.”
In de biografie van Mandel komt de kwestie als volgt ter sprake: “Voorheen actief in de KP gaven ze [Frans Buyens en Willy Caluwaerts] sinds 1956 het linkse satirische tijdschrift De Satan uit. De naam was een trouvaille van Camile Huysmans. Mandel zag er het begin in van een Vlaamse La Gauche en vermoedde in Buyens, een geboren rebel, de ideale hoofdredacteur gevonden te hebben.”
In 2000, toen we bezig waren met het nummer over Roger van de Velde, bezocht ik de inmiddels overleden Frans Buyens (1924-2004), die me een namiddag lang onderhield over De Satan, een nu goeddeels vergeten tijdschrift, waarvan overigens ook maar tien nummers verschenen zijn. In 1957 werd het tijdschrift opgedoekt en werd besloten tot het oprichten van het politieke weekblad Links (waarvan in november 1958 het eerste nummer verscheen). Buyens was er toen al niet meer bij betrokken. In ons gesprek verklaarde hij zijn afhaken als volgt: “Ik ben altijd te veel een alleenganger geweest om mezelf disciplinair in te schakelen in een politieke beweging”. (Over Frans Buyens verscheen in maart 2004 nog een interessant nummer van het tijdschrift Kruispunt -kruispunt@pandora.be).

Frans Denissen : De vrouwen van Mussolini

musso.jpg

Frans Denissen die onlangs nog een korte bijdrage leverde over seks (of sex) gaat blijgezind verder op het ingeslagen pad: morgen kan u zich nog naar Theater ‘t Arsenaal in Mechelen reppen voor een boekvoorstelling van De vrouwen van Mussolini, een boek over, nu ja, over de vrouwen van de Duce natuurlijk. En Clara Petacci in het bijzonder. Mussolini en Petacci leren elkaar kennen in 1932, in 1945 (28 april om precies te zijn) worden ze samen geëxecuteerd en ondersteboven opgehangen zoals nog te zien op deze foto. Enfin, romantiek voor die hards als dat niet te ongelukkig is uitgedrukt. Johan Vandenbroucke, onvolprezen redactielid van De Brakke Hond, stelt het boek voor en praat met Frans Denissen. Daarna kan u zich - van harte uitgenodigd - mee bezatten.

Praktisch:
Boekhandel Forum, uitgeverij Bert Bakker & Standaard Uitgeverij nodigen uit in
‘t Arsenaal
Hanswijkstraat 63
2800 Mechelen
20.00 u.

Morgen in De Morgen: De warwinkel van het web

Johan Vandenbroucke is wederom in de pen geklommen om in deze gedichtendagtijden aandacht te vragen voor de precaire positie van de poëzie, het “ondergeschoven kindje van de literatuur”.

Poëzie verkoopt niet. In de boekhandels zijn er, behoudens bloemlezingen en verzamelingen, nauwelijks dichtbundels te verkrijgen. In de kranten komen gedichten vrijwel alleen nog aan bod naar aanleiding van evenementen: een podiumtournee, een poëziewandeling, een jubileum, een stadsdichtersverkiezing. Poëzie wordt nauwelijks nog besproken, laat staan geanalyseerd. Verkopen doen de bundels toch niet, een dichter is al tevreden als hij vijfhonderd exemplaren kan slijten.
Maar op het internet bloeit de poëzie. Nooit eerder waren er zoveel gedichten te lezen, nooit eerder telde Vlaanderen meer dichters. Toch wil ik het niemand aanraden om in de poelen van het onpeilbare internet te zoeken naar onvermoede dichtpareltjes

Kortom een uitgebalanceerd betoog waarin de goeden (o.a. Rottend Staal, Contrabas, Parlandooooh!) lof krijgen toegezwaaid en met aan het eind een krachtige vraag om meer middelen voor al deze belangeloze filantropen. Meer, morgen in De Morgen. Kopen die krant.

Censuur

Gisteren in De Morgen een speciaal katern over censuur. Een knap stuk van Johan Vandenbroucke over de bekendste censuur- en censuroïde zaken in de Vlaamse letteren. Ze worden zeldzaam, de lieden die zoals Vandenbroucke nog kunnen citeren uit de dagboeknotities van Jan Emiel Daele. Wie kent nog de stencilcultuur uit de provo tijd, en bladen als Revo, Bom en Anar? Maar het bestond allemaal, en veel beter nog, het “establishment” vond die periodieken bij tijd en wijle belangrijk genoeg om te censureren of in beslag te nemen. Welk doodgesubsidieerd literair periodiek kan zoiets tegenwoordig nog zeggen.
Vandenbroucke vertelt het verhaal met oog voor historisch detail, maar aan het eind van de rit begint het toch op te vallen dat er al bij al niet zoveel te vertellen valt. Masscheroen van Claus en een inbeslagname van Gangreen 1 (Black Venus) van Geeraerts waren de laatste echte censuurzaken in de betekenis die we daar gewoonlijk aan geven: de overheid die het morele of zedelijke gehalte van een publicatie ter discussie stelt. Als je het proces dat door Ann Demeulemeester tegen Herman Brusselmans werd ingespannen ook nog censuur gaat noemen, dan rek je het begrip enigszins op. De gretigheid waarmee er toen in die zaak over censuur werd gesproken lijkt me eerder een maat voor het nostalgisch verlangen van schrijvers naar de tijd dat het schrijven van boeken nog meer gewicht had dan tegenwoordig het geval is.
Toevallig las ik dezelfde dag Boot zonder bond: een bijdrage tot de bibliotheekkritiek, een filosofisch stuk van Johan Velter over de plaats van de bibliotheek en het boek in onze maatschappij:

Cultuurvormende organisaties zoals in België de verschillende fondsen/levensbeschouwingen en/of ideologieën, hebben het boek als propagandamiddel gebruikt. Het is dan ook normaal dat de censuur zich toespitste op wat de drukpers deed verschijnen.

Velter spreekt hier over de vorige eeuw toen het boek een maatschappelijke functie had (”Voor de enen was het een middel tot verandering, voor de anderen een middel om de verandering tegen te houden.”) Het valt dan ook te vrezen dat de vrolijke tijden van de censuur in Vlaanderen samen met het belang van het boek aan het verdwijnen zijn.

Kroniek van een karakter

kroniek.GIF

Tom Van Bauwel en Brakke Hond redacteur Johan Vandenbroucke gebruikten de brieven van Jeroen Brouwers als grondstof voor een theaterstuk dat naar de titel van Brouwers’ brievenboeken gelijk maar Kroniek van een karakter werd geheten. Vandaag in première gegaan, dus u heeft nog alle kans om te gaan kijken. Van Bauwel en Vandenbroucke zijn zowat een ideale tandem om een dergelijk project tot een goed eind te brengen. Vandenbroucke omdat hij zo langzamerhand wel doorgaat voor de grootste Brouwers-kenner in de lage landen. Voor Van Bauwel omdat boeiende theaterprojecten waarin toneel en de “grote” literatuur samen komen de rode draad door zijn carrière vormen.

Letterkoorts

Letterkoorts 06 verzamelt overmorgen vrijdag 20/10 onder de titel 3000 Volt en meer ”een aantal schrijvers en columnisten met bijzonder scherpe pen”. Dat zijn dan o.a. Herman Brusselmans, Stefan Brijs en Saida Boujdaine die Tom Naegels moet vervangen. Brijs en Boujdaine zullen worden geïnterviewd door Johan Vandenbroucke.

(Zie op de site van Kultuurcentrum Kortrijk voor praktische details.)

Eresaluut aan Mettes in De Morgen

Geëindigd bij de G

Terwijl ik dit stukje schrijf, dinsdag 26 september, wordt in Den Haag de jonge dichter en literatuurwetenschapper Jeroen Mettes (1978-2006) gecremeerd. Hij maakte zelf een einde aan zijn leven. Ik heb hem nooit ontmoet, op het internet zoek ik tevergeefs naar zijn geboortedag om te weten of hij al 28 jaar was of nog moest worden op het moment dat hij besloot dat het genoeg was geweest.
Waarom hij zo jong uit het leven stapte? Ik kan er maar naar gissen, zoals zovelen die hem alleen maar ‘van lezen’ kenden. Op zijn weblog schreef een vriend dat hij al jaren depressief was.
Mettes publiceerde slechts enkele gedichten en essays in de literaire tijdschriften Parmentier en Yang (waarvan hij sinds kort ook redacteur was geworden). Bij het literaire internetwereldje genoot hij bekendheid als een gedreven weblogger. Zijn weblog, ‘Poëzienotities’, behoorde tot de interessantste van het taalgebied. Ik leerde zijn blog kennen door het essay van Jos Joosten over ‘recenseren in tijden van internet en weblog’ (pdf) waarin Mettes genoemd werd als voorbeeld van iemand die door de snelheid van het internet “ineens alomtegenwoordig was” in het poëziedebat. Terecht, meende Joosten (en ik sluit me volmondig bij hem aan), want Mettes’ bijdragen getuigden van “een scherp inzicht, uitgesproken opinies en een fraaie pen”.

Op 21 september was Mettes voor het laatst actief op zijn weblog. Hij postte om 2u19 ’s nachts een leeg bericht. Geen uitleg: alleen wit. ’s Ochtends kwam er een eerste reactie van Chrétien Breukers, ook een verwoed blogger: “Zeer origineel, deze recensie van Leegte, leegte die ademt”. Breukers veronderstelde dat Mettes met zijn lege posting reageerde op de essaybundel van Yra van Dijk; over ‘het typografisch wit in de moderne poëzie’, verschenen bij uitgeverij Vantilt.
“Posted by Jeroen Mettes” was de laatste keer doelbewust leeg, zo meldde een vriend echter enkele uren later. De literaire webloggers reageerden ontzet op het bericht van zijn zelfmoord, hoewel velen hem nooit ontmoet hadden, beschouwden ze hem als een persoonlijke vriend. “Verdomme,” zo schreef de dichter Ruben van Gogh: “Hij was een van de weinigen waarvan ik echt nieuwsgierig was wat hij over een aantal poëziekwesties te zeggen zou hebben.”
Xavier Roelens getuigde: “Het raakt me, meer dan ik me dat kan inbeelden van iemand die ik nog nooit ontmoet heb”, en Jos Joosten had het over “het verlies van een onvervangbare stem in de debatten”. De Vlaamse poëzieweblog ‘Parlandooooh!’ meldde: “Het ziet er naar uit dat zijn Dichtersalfabet voor eeuwig is blijven steken bij de G van Koenraad Goudeseune. Zijn website Poëzienotities voegde iets bijzonders toe in het Nederlandstalige poëzielandschap”.

Mettes begon met zijn weblog in juli 2005. Vrijwel meteen begon hij ook met zijn ‘Dichtersalfabet’. Hij besloot bij de poëziekast in de Haagse boekhandel Passage zijn “blogproject alfabetisch aan te pakken”, door systematisch auteurs te kiezen en individuele bundels te bespreken: “Zo’n bundel schaf ik aan en lees ik in het restaurant van de Hema onder het genot van een grote beker Coca-Cola Light.” Hij begon bij de A.
Zijn eerste bijdrage bevatte ook een soort beginselverklaring; “Poëzie is simpelweg dat wat in een gedicht niet te reduceren is tot tekst, vorm of inhoud.” Als doctorandus aan de universiteit van Leiden werkte hij aan een proefschrift over ‘poëzietheorie’, die hij echter niet los wilde zien van “een zeker subjectief engagement’. Hij hield van poëzie die “erkent dat er altijd wel ergens iets, op wat voor wijze dan ook, ontploft of op ontploffen staat.”

Zijn soms filosofisch onderbouwde, soms impressionistische bijdragen zorgden vaak voor levendige discussies. Hij wendde zich bijvoorbeeld niet af van de academische poëzie: “Ik schaar me niet onder de principiële vijanden van geleerdheid in poëzie. Waarom jezelf beperken tot de kont van je geliefde? Nee, daar mag best wat Griekse mythologie of kwantumtheorie tegenaan; dat kan die kont best hebben.” Ook mocht er meer wereld in de poëzie. Zo vroeg hij zich af waarom niemand een gedicht schreef over de Venezuelaansee president Hugo Chaves: “Is een (ongetwijfeld klein) wonder voor de armen een minder interessant onderwerp dan de (ongetwijfeld zeldzame) ervaring van het Niets of het Sublieme voor de gepriviligeerden?”

Na een zelfmoord speur je in het werk naar vooruitwijzingen. Ergens vermeldt hij de zelfmoord van Walter Benjamin en in mei 2006 noemt hij de sterfdag van Ian Curtis “één van de belangrijkste dagen op de zelfmoordkalender!”, maar verder zijn op op het weblog nauwelijks ‘zelfmoordverwijzingen’ te vinden. De laatste maanden kwam de poëzie er ook minder aan bod. Hij fulmineerde tegen de oorlog in Irak en Libanon en plaatste veeleer filmpjes in plaats van poëziebeschouwingen. Mede door zijn academische bezigheden werkte hij nog maar sporadisch zijn dichtersalfabet bij. Hij was bij de G gekomen, en in juni schreef hij nog opgewekt: “Oké, genoeg filmpjes. Komt eraan: De H van Harmens.”

Maar de H is niet gekomen. In de zomer leek hij moe te zijn. Zo schreef hij in juni: “Ik houd overal mee op en begin een broodjeszaak in de woestijn”. Maar dat is speculatie achteraf, want in juli merkte hij nog vrolijk op dat hij bepaalde frasen – zoals “voetbal is kunst” of “het einde van de grote verhalen” - niet meer wilde horen “in de tweede helft van 2006 en daarna”.
Helaas komt er geen daarna meer.

Johan Vandenbroucke in De Morgen op 27/09/06

(hv)

Oerboek Brouwers

Bij uitgeverij Atlas verschijnt In het midden van de reis door mijn leven van Jeroen Brouwers in de reeks ‘Oerboeken’. Deze reeks is een initiatief van enkele literatuurwetenschappers (Lisa Kuitert, Mirjam Rotenstreich, Yves T’Sjoen, e.a.) en wil aandacht besteden aan oorspronkelijke manuscripten die van belang bleken voor het latere literaire oeuvre van de auteur.
In interviews verklaarde Brouwers al vaak dat hij in het begin van de jaren zeventig – een crisisperiode in zijn leven – wel veel schreef maar weinig publiceerde: “Er is toen een oermanuscript ontstaan waaruit ik jarenlang heb kunnen putten. Het was een literaire erts van iemand die wel wilde schrijven maar niet wist wat.”
Van dat hybride, onsamenhangende ‘basismanuscript’ wordt nu in het ‘oerboek’ een teruggevonden fragment uit 1970 gepubliceerd. (Het moet wel diepe crisis geweest zijn, als een maniakaal archivaris als Brouwers slechts met een ”teruggevonden fragment” van een eigen manuscript komt aanzetten.)  De oorspronkelijke notities worden toegelicht door Brouwers zelf in een lang en persoonlijk verhaal over die turbulente periode en over de manier waarop het manuscript destijds tot stand kwam. Daarnaast schreef Johan Vandenbroucke een essay waarin gedetailleerd wordt nagegaan hoe passages uit het oermanuscript terugkomen in het later gepubliceerde werk van Brouwers. Het oerboek wordt afgesloten met een herdruk van De Exelse testamenten, een sleutelverhaal van Brouwers waarin dezelfde periode wordt beschreven en dat ook thematisch (de zelfmoord van een geliefde) bijzonder goed aansluit bij de notities in het oermanuscript.
Tijdens Het Andere Boek (zaterdag 14 oktober, 15 uur, in de Smidse) spreekt Jeroen Brouwers met Johan Vandenbroucke over In het midden van de reis door mijn leven.