Zoals eerder aangekondigd was er gisteren bij deBuren de presentatie van De achterblijver, de vierde roman van Yves Petry. Frank Hellemans leidde in, Nele Hendrickx interviewde en Petry las voor. De toespraak van Frank Hellemans hoeft u alvast niet te missen:

Dames en heren, beste vrienden en Yves in het biezonder,
Het is bekend: een beroepslezer leest met de pen in de aanslag. Niet altijd makkelijk trouwens als je in bed met een hoop drukproeven zit te worstelen en ondertussen die pen niet vindt om er iets mee aan te strepen want hij verstopt zich in de plooien van het laken waarop je geliefde… Maar ik ga jullie niet vervelen met Bettgeschichten, en zeker niet met die van een recensent met een pen in de aanslag. Alle gekheid op een stokje: Ik heb zelden zoveel beklijvende passages aangestreept als in De achterblijver, de nieuwe roman van Yves Petry. Bijna op elke bladzijde is het prijs en kom je een uitspraak tegen die te denken geeft, zoals: ‘Wie het werkelijk weet, kan het niet zeggen en wie denkt het te kunnen zeggen, weet het niet.’ Zeg nu zelf. Je wordt gevraagd om een roman in te leiden van de cleverste schrijver in de Lage Landen en je komt in dat boek een uitspraak tegen die al onmiddellijk het tapijt van onder je inleidersvoeten wegtrekt: Wie werkelijk iets weet over De achterblijver van Yves Petry, kan het niet zeggen, laat staan uitleggen en wie denkt er iets te kunnen over zeggen, die heeft er niets van begrepen. Dat is Yves Petry ten voeten uit. Je eerst meelokken naar verre einders – in dit geval het halsbrekende universum van zijn prachtige roman - en dan er monkelend bijstaan om te zien hoe je bijna je nek breekt. Ik moet u trouwens waarschuwen dat hij dat ook met zijn lezer doet: hem droppen in het diepe van allerlei beschouwingen die half ernstig half grappig doen duizelen tot je het zelf niet meer weet en je er het zwijgen toe doet. Excuseer, Yves, maar zover krijg je me niet. Ik word namelijk niet alleen betaald om hier vanavond iets te zeggen over jouw boek maar vooral: ik kan gewoonweg niet zwijgen over je heel bijzondere manier om lezers en ook mensen, neem ik aan, te verleiden. Op eigen risico van die lezers en die mensen, wel te verstaan. Maar je verleidingskunst is zo groot dat mensen dat risico maar al te graag nemen en lezers, zoals ik, er zelfs niet over kunnen zwijgen hoe fascinerend een ritje op je achtbaan wel is.
Nu ja, een achtbaan, is misschien ietsje overdreven. Want je boeken zijn geen kermisvertier, maar wel bedrieglijk lichtvoetig. En dat heeft alles te maken met de aparte vanzelfsprekende manier waarop je verteller het over de meest diepzinnige dingen heeft. Kortom, het geheim van je literaire verleidingskunst – ik beperk me dus tot je boeken, over je charisma kunnen anderen wellicht boeken schrijven – zit hem in de toon van je romans die zo soepel, zo natuurlijk de meest stroeve, onnatuurlijke onderwerpen heel aannemelijk maakt. Ik noemde je al de cleverste en meest verleidelijke schrijver van de Lage Landen, maar je bent ook de auteur die het verst durft te gaan in filosofische bespiegelingen zonder dat je je daar als schrijver in verslikt. In te veel loodzware ernst, bedoel ik. In deze, je vierde roman, ben je er volgens mij het best in geslaagd om via die charmante unieke vertellersstem van jou een brug te slaan tussen actualiteit en eeuwigheid, tussen ernst en satire, tussen bekentenis en verstoppertje spelen. Ik verklaar mij even nader.
Als een positieve versie van de zwartgallige Michel Houellebecq toon je in De achterblijver hoe wij mensen letterlijk achterblijven tegenover onze technologische creaties. Je hoofdpersonage Gram Goetleven, iemand die gramstorig op zoek is naar het goede leven, is een informaticaspecialist die aan de ultieme computer sleutelt die van alle mensen achterblijvers zal maken. ‘Baby’ luidt het ironische koosnaampje voor deze draconische machine in wording die zweert bij een pure functionele aanpak van het leven, onder het motto: ‘Alleen wat werkt, zal werkelijk heten.’ Goetleven, die zich in zijn eigen leven al lang zelf een achterblijver voelt, wordt opgezadeld met een openingsspeech voor een informaticacongres. Een beetje zoals ik nu. Maar dan gebeurt de Petry-truc. Het lijkt alsof de auteur een actueel thema hanteert, de alles en iedereen dominerende computertechnologie, de Bill Gates-grootheidswaanzin die ons parten dreigt te spelen, maar opeens krijgt die op het eerste gezicht actuele inhoud eeuwige, universele trekjes. Goetleven beseft in momenten van plotse genade dat achterblijver zijn, geen stigma is maar eerder een teken van uitverkorenheid. Wie achter blijft en zichzelf buiten spel weet, kan pas echt tot de kern van het bestaan doordringen. Het komt er op aan de valsstrik van het zelf, van het eigen gelijk en van de eigen identiteit, af te leggen. Zelfverlies in plaats van zelfbehoud, dat is volgens Petry de sleutel voor het goede leven. En dat is niet alleen en zelfs niet op de eerste plaats een zaak van goede seks, ook al kan dat natuurlijk helpen, zoals in deze roman wordt gedemonstreerd, maar even goed een kwestie van heldere zelfrelativering. Ga buiten je eigen drukke leventje staan en open je zintuigen terwijl je oog in oog staat met de schepping Gods, dan pas hoor je Gods eigen muziek, om het met een romantitel van Petry te zeggen.
Yves, je weet dat ik Gods eigen muziek, je tweede roman, een sterk staaltje van epifanieliteratuur vond. Epifanieën, dames en heren, zijn van die ogenblikken waarop het leven ja tegen je zegt. Het zijn momenten dat je je gelukkig voelt en één met het bestaan. Dat kan te maken hebben met culinaire en erotische hoogstandjes, maar ook met artistieke vervoering of de kick van de jogger of de fietser of de zwemmer. Maar het heeft alleszins te maken met je zelf tussen haakjes zetten en jezelf inklinken in de totaliteit van de werkelijkheid. ‘Overgave’ en ‘onderworpenheid’ zijn sleutelwoorden om de magie van die ogenblikkelijke vervulling aan den lijve te ervaren. ‘Overgave aan de echtheid van het gebeuren’, zoals dat nogal abstract bij Petry heeft. Maar hij haast zich om zijn verteller, die languit in het gras ligt en de wereld contempleert, concrete voorbeelden van dat momentane volle leven te laten geven: ‘Ook het gras dat aan mijn handen prikte, de krassende kraai van daarnet en de zwermende spreeuwen van zo-even, de gloed van de autosnelwegen in de verte, de vliegtuigen en de mannen van daarstraks, het deelde allemaal in dezelfde onderworpenheid.’ Aldus de auteur. En het deelde allemaal in dezelfde euforische ‘Bejahung’ van het leven, eens die grens van het eigen ik wegvalt.
Petry laat zijn hoofdpersonage Gram Goetleven dus op zoek gaan naar het goede leven van zijn familienaam. En hij gunt zijn hoofdpersonage ook, zoals gezegd, kortstondige ogenblikken van een perfecte, gelukzalige eenwording met datgene wat hem omringt: de computer ‘Baby’ of mensen van vlees en bloed, zoals de mannen in de dark room. Want laten we wel wezen: Petry is geen zoetgevooisde zanger die opkomt voor een harmonische levenskunst maar een lucide individualist die beseft dat juist een koppig uitboren van je eigen obsessies je kan verlossen van die demonen. In zekere zin is schrijven voor Petry allicht duivelsuitdrijving maar dan zo hemels uitgevoerd, met zo veel speels gemak en elegante aisance dat het een lust wordt voor de lezer om samen met de auteur die achtbaan in de krochten van de verbeelding in te duiken.
Dames en heren, beste Yves, ik heb me vandaag beperkt tot het uitspitten van één frappant facet van je romankunst. Je bent een van die Vlaamse Dertigers die momenteel de Nederlandstalige literatuur een nieuw elan geven. Het is opvallend hoe jij samen met je collega’s het modernisme omhelst van schrijvers als de jonge James Joyce, Vladimir Nabokov, Franz Kafka of Albert Camus. Jullie zijn literaire zinzoekers die in hun voetsporen via romans op zoek gaan naar het geslaagde leven. En je laat zien dat je dat niet al te hooggestemd moet opvatten maar ook niet al te geringschattend. Petry’s achterblijver, dames en heren, is een voorloper die ons een mogelijke uitweg toont uit de impasse van ons overgeorganiseerd en overgecontroleerd leventje. En hij verstopt dat pleidooi voor zelfverlies in plaats van zelfbeheersing gelukkig niet postmodernistisch onder stoelen of banken. Nee, de Dertigers, zoals Yves, durven kleur te bekennen en schrijven boeken die er toe doen. De achterblijver is dus geen literatuur voor fijne luiden, of ongevaarlijk amusement vol zogezegd geëngageerde grapjes maar een appèl aan de lezer om zijn leven niet te laten dichtslibben.
Nogmaals, ik heb maar één aspect van de rijkdom van je roman uitgelicht. Er valt zoveel meer te beleven op die roetsjbaan van jou. Er zijn je stekelige commentaren bij het eeuwigdurende gevecht tussen mannen en vrouwen waarbij de verteller na diverse waarnemingen terzake droogjes opmerkt: ‘Er ging eigenlijk veel te veel intellectuele energie verloren aan de wrijving tussen mannen en vrouwen.’ Er zijn de uitvallen van de verteller tegen het kleffe psychologiserende klimaat van vandaag dat overal hoogtij viert: van de lyfestylemedia tot de goeroes van de emotionele intelligentie of de pleidooien voor meer empathie op de werkvloer en dat allemaal uiteraard tot meerdere eer en glorie van eigen portefeuille. Er is het eeuwige misverstand tussen vaders en zonen en er is vooral het eeuwige misverstand tussen mensen tout court, of dat nu mannen en vrouwen zijn, vaders en zonen, of echtgenoten en echtgenotes. Maar er is vooral die unieke Petry-toon die meer dan ooit in deze vierde roman tot volle rijpheid is gekomen.
Petry bewijst met De achterblijver dat een roman meer kan zeggen dan het beste gesprek. Vierde keer, goede keer. Met deze vierde roman maakt Petry zijn status van groot literair talent helemaal waar. Hij vermijdt de valkuilen van de karikatuur terwijl hij tegelijk ook een al te grote ernst uit de weg gaat. Kortom, Petry heeft op de drempel van zijn veertigste de juiste balans gevonden om boeken vol levenswijsheid te schrijven terwijl hij ondertussen de lezer entertaint met laconieke statements en hilarische situaties. Voor mijn part is De achterblijver van Petry op kousenvoeten dé literaire sensatie van dit najaar. Maar echt weten, doe ik het natuurlijk ook niet, want dan zou ik immers moeten zwijgen, zoals Gram Goetleven als hij zich echt goed in zijn sas voelt. En zoals monkelende Yves.
Ik dank u.
Frank Hellemans – Brussel (De Buren) – 080906