Contrabasredacteur Chrétien Breukers

Na enkele beschouwingen van op een zekere afstand, volgt de visie van dichter, bloemlezer, uitgever en weblogredacteur Chrétien Breukers. Weblog De Contrabas bevindt zich pal in het internetstrijdgewoel en Chrétien Breukers, zelf nooit verstoken van uitgesproken opinies, staat er elke dag middenin. Behalve zijn visie op poëzie en internet klinken in zijn stuk her en der dan ook nog echo’s van wars-in-progress.

Publieksprijs & meer

publieksprijsmini06.jpg

Het droevige nieuws: de publieksprijs voor poëzie die werd ingericht door de tandem Contrabas-Rottend Staal zal geen nieuwe editie kennen dit jaar. De officiële reden is de zogenaamde overlastdichter, een energievretend fenomeen: “stemfraudepogingen, handelen tegen de geest van de verkiezing in, dreigementen”. Het goede nieuws is dat het doel van de prijs onverminderd van kracht blijft: “alle reguliere bundels uit een bepaald jaar blijvend onder de aandacht van een breder publiek brengen”. Concreet betekent dit dat het bekende jaarlijkse overzicht (zie 2005 en 2006) van de gepubliceerde poëziebundels blijft bestaan. De werkzaamheden voor het overzicht van 2007 zijn in volle gang:

We verzoeken poëzieredacteuren van reguliere uitgeverijen dichters uit hun fonds op dit initiatief te wijzen. We verzoeken dichters die in 2007 een bundel bij een reguliere uitgeverij hebben uitgebracht één gedicht uit die bundel in te sturen, met daarbij de gegevens van eventuele recensies (naam periodiek, datum).

Overigens wordt de samenwerking tussen spitsbroeders Droog-Breukers verder opgedreven. Chrétien Breukers van Contrabas zal op Rottend Staal een wekelijkse column gaan schrijven onder de naam Breukers Bromt. De eerste BB is alweer een feit sinds 7 augustus en gaat over het ‘belangrijke ambt’ van het stadsdichterschap. De welbekende, onnavolgbare mix van ironie, zelfrelativering en terechte kritiek is een alvast aanrader.

Het Kostwinder mysterie

In een humoristisch artikel over informatietheorie en entropie (dat kán echt) heb ik ooit eens gelezen dat alle electronische geheugens die ons omringen (pda, outlook, maar ook onze talrijke - slecht georganiseerde - harde en zachte schijven) alleen maar dienen om chaos uit te besteden aan randappartuur. Een strijd tegen de entropie van het dagelijks bestaan noopt ons tot een vloot geheugenvervangende maatregelen (wie onthoudt verjaardagen nog eigenhandig?). Dat we daarmee een afhankelijkheid creëren met een eigen problematiek is genoegzaam bekend. Ons geheugen opereert immers tot op zekere hoogte zelfstandig zoals ik onlangs nog mocht meemaken.

De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.
(Kon ik me nu maar herinneren van wie dat citaat ook alweer is!)

In een blogpost op De Contrabas las ik dat Koen Sonck in De Brakke Hond een in memoriam had gepubliceerd toen Jan Kostwinder kwam te overlijden. Ik kon me daar niets van herinneren dus zocht ik het op in de database van de website (die ik zelf onderhoud): niets. Mogelijks had ik per vergissing niet het ganse nummer online gezet? Nog een ander geheugen geraadpleegd: BLTVN. Geen Koen Sonck te bekennen. Met databases kan altijd wat fout gaan (maar in twee verschillende electronische geheugens dezelfde fout?), maar het papier is een soort van fossiel, dat verandert nooit meer. Dus toch maar de papieren boekjes erbij gehaald. Niets. De geheugens van verschillende redactieleden en ex-redactieleden gepeild: reacties varieerden van “zegt me wel iets” tot “nooit gezien”. Onze redactiesecretaris had geen schriftelijke correspondentie in het archief. De auteur gebeld. Die was zeker dat het stuk bij ons was verschenen, maar hij had het wel nooit gezien en bewijsexemplaren had hij ook niet gekregen. Hij wist niet meer wie in de redactie contact met hem had gehad. Sonck had geen mails uit die tijd meer nadat hij van mailprovider was veranderd, zelfs de tekst had hij niet meer (terminale computer zonder backup). Al die falende Sonck-geheugens verlichtten enigszins de voor mij vernederende situatie een auteur om uitleg te moeten vragen. Uiteraard had ik me intussen suf gegoogeld, want zo goed als alle inhoud van de DBH site is vlotjes terug te vinden via de wereldwijde chaosbestrijders van Google. En ik had het intussen ook gevraagd aan de auteurs van het stuk (Chrétien Breukers en Hein Aalders). Breukers had geen referentie, maar Aalders die zou het weten. En inderdaad kwam Hein Aalders, die enige weken afwezig was geweest, uiteindelijk met een printje te voorschijn waarop een url: www.brakkehond.be/72/sonck1 En toen zag ik het, en verdomd, het stuk stond er gewoon nog steeds, op mijn eigen website - waar het dus alleen via mij terecht had kunnen komen - vrolijk te suffen en zich te onttrekken aan het geheugen der mensheid (behalve dat van Aalders dan). Ooit gepubliceerd buiten het papieren boekje om en nooit ingebracht in de database van de website, was het tussen de plooien gevallen. Het was ooit maar met één enkele link verbonden geweest met de site, maar blijkbaar nooit gespidered, want nadat de link met de homepage was verbroken was het niet meer bereikbaar (tenzij je wist waar het stond), terwijl het toch gewoon op de server was blijven bestaan, een stil weesbestand. Daar stond ik dan met al mijn praatjes over de eeuwigheid van het internet, en hoe toepasselijk dat het om een in memoriam ging.

Niet alle grootste dichters lijden aan dyscalculie

dyscalculie.jpg 

In datzelfde Boek ‘06 van Knack doet Philip Hoorne op een eigenaardige manier de boekhouding van de verschillende bloemlezingen die de  afgelopen tijd het licht zagen in de hoop “een min of meer objectieve ranglijst van Nederlandstalige dichters op te stellen”. Het gaat om de Spiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse dichtkunst (Molegraaf), Vijfhonderd gedichten over leven liefde en dood (Groot verzenboek van Deleu), Nederlandse poëzie van de 19de t.e.m. de 21ste eeuw (Komrij), 25 jaar Nederlandstalige poëzie van 1980-2005 in 666 en een stuk of wat gedichten (Chrétien Breukers van poëziesite de Contrabas).
Het idee dat Hoorne heeft is van een even aantrekkelijke als hoogst bedenkelijke eenvoud: laten we van elke dichter het aantal gedichten in elk van deze vier bloemlezingen optellen en het totaal maken. De rangorde die aldus wordt bekomen reflecteert dan wie er het hoogst aangeschreven staat in de canon. [Of de hoogst gerangschikte ook de “beste” is blijft nog steeds een kwestie van smaak, iets wat Hoorne in zijn cijfer-enthousiasme ook wel eens uit het oog dreigt te verliezen.] Ondanks het feit dat elke bloemlezing verschilt wat de in aanmerking genomen periode betreft, of wat het aantal opgenomen gedichten of het totaal aantal opgenomen dichters aangaat, denkt Hoorne tot een “geloofwaardige hitlijst” te komen door te tellen zonder “herberekeningen, extrapolaties of statistische trucjes, alleen maar tellen.”
Nu hou ik nogal van dit soort doortrapte zinswendingen. Ha nee, denkt de argeloze lezer, niet moeilijk gaan doen als het ook makkelijk kan. Het is bovendien algemeen geweten dat statistici kwaadaardige manipulatoren zijn, maar gelukkig hebben wij Hoorne, het telraam van eenvoudige komaf. En zoals dat gaat bij eenvoudig tellen zijn appelen en peren allebei vruchten, en vruchten en vruchten, dat kan je best optellen. Ja, toch?
 
Op basis van zijn redenering waarin alle corpus-verschillen worden genegeerd produceert Hoorne twee tabellen die het appelen-en-peren probleem zo hemelschreiend demonstreren dat plaatsvervangende schaamte zich meester maakt van eenieder die meer dan middelbaar onderwijs heeft genoten. De eerste tabel heet “De grootste hedendaagse dichters” en bevat 40 schrijvers. Bijna alle 40 aanwezig in Komrij én Deleu én Molegraaf. Slechts één vijfde daarvan is ook opgenomen in 25 jaar Nederlandstalige poëzie, maar als ze in 25 jaar zijn opgenomen, dan wél met vier of zes gedichten. Als je weet dat nummer 1 (Hugo Claus) zonder in de 25 jaar te staan een totaal van 30 scoort ziet eenieder de bui wel hangen, hoop ik. De tweede tabel bevat De grootste levende Vlaamse dichters en als je beide tabellen naast mekaar ziet staan in het Knack boekje wordt het meteen duidelijk: de eis dat de dichters in de tabel nog in leven moeten zijn maakt dat de data een stuk homogener worden (Het blijven nog steeds appelen en peren, maar minder opvallend). Het corpus van de dichters uit de andere bloemlezingen wordt nu plots een fors eind afgeknipt omdat ze in regel een ganse bent dode dichters bevatten. In deze tweede tabel is dan ook maar liefst drie vijfde van de dichters ook opgenomen in 25 jaar.
Dat Hoorne dit alles als een retorisch grapje heeft bedoeld is niet meteen af te lezen aan het artikel, maar niet getreurd, het rekenkundig niveau in ons dagelijks sjoernalistieke vod is vaak niet veel hoger. Geen haar op mijn hoofd dat er trouwens aan denkt om de verdienste van eender welke dichter in deze lijstjes te betwisten, laat dat duidelijk zijn. Het gaat hem er mij ook niet om of ze nu in de juiste rangorde staan volgens mijn smaak & keuze, het gaat hem er gewoon om dat ze volgens de methode Hoorne (zonder “statistische trucjes”) niet in de rangorde staan van de canon zoals die in de genoemde bloemlezingen naar voren komt, in tegenstelling tot wat Hoorne claimt. Ik ga geen analyse maken van wat er verder nog allemaal rekenkundige nonsens is aan deze manier van werken, maar zelfs als je je met alle gebreken van de methode Hoorne kan verzoenen komt het er eigenlijk op neer dat je “min  of meer” getalsmatig kan aantonen dat de meeste bloemlezers vinden dat Claus de belangrijkste hedendaagse Nederlandstalige dichter is. Voor die conclusie hadden we geen bloemlezingen, noch de omslachtige dictie van Hoorne nodig natuurlijk.

Toch valt er uit de lijstjes wel iets te leren voor wie wil kijken naar wat de data écht te zien geven en in dat opzicht is het zelfs jammer dat van beide tabellen alleen de top wordt getoond en niet de volledige dataset (heeft Hoorne die werkelijk gemaakt, zo vraag je je af). Maar het vermoeden lijkt gerechtvaardigd dat in vergelijking met de overige drie geturfde bloemlezingen de bloemlezing van Breukers een hoogst originele bloemlezing is, waarin de selectie aantoonbaar afwijkt van de overige drie. Nu komt dat natuurlijk in de eerste plaats domweg doordat de scope van 25 jaar, ehmm, slechts 25 jaar beslaat, en niet pakweg 100 jaar of meer, een fundamenteel verschil dat Hoorne uit bezorgdheid voor het “eerlijke” tellen terzijde schuift. Maar als je nu over volledige tabellen zou beschikken zou je kunnen nagaan of het vermoeden klopt dat in de “vette Breukers” meer dichters zijn opgenomen die elders niet zijn opgenomen. Helaas is zelfs dat niet na te gaan op basis van de gegevens die Hoorne verstrekt. Jammer, want alle gekheid op een stokje, ook al klopt er rekenkundig geen bal van, ik ben dol op dit soort van lijstjes.

(Het artikel van Hoorne staat inmiddels ook online op de Contrabas, belangrijk voor wie de tabellen - moeilijk leesbare vorm - zelf eens wil bekijken.)

Des Breukers vettigen bloemengaarde

breuk1.jpg
De feesten in Utrecht en Amsterdam rond de “vette Breukers” zijn voorbij (mogelijks voorlopig) en eenieder die het van nabij mocht meemaken was verheugd, tenminste, als je het relaas van Olaf Risee buiten beschouwing laat. 
In Amsterdam was Hans Vandevoorde erbij om een woordje tot het talrijk aanwezige publiek te richten:

    Beste mensen,

Voor mijn zeven en een halve minuut durende avondkout over 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten had ik me het volgende voorgenomen:

- Ik had besloten om te beginnen met gedichten voorlezen die niet in de bloemlezing staan: zo zou ik gedichten reciteren van Anne van Amstel, Saskia de Jong, Marc Tritsmans, Els Moors, etc. Dat doe ik toch maar niet omdat ik daarmee niets gezegd heb over de vele onbekende dichters die er wél in staan en die je – zelfs als professioneel in de letteren – in deze anthologie kunt ontdekken. Ik noem alleen maar Marijn Backer of C.L. van Minnen. Ik ben Chrétien B. dankbaar voor dit scoutwerk, parelvissen of hoe je dit ontstoffen en opdelven ook wilt noemen.

- Ik had me voorgenomen om vervolgens te verifiëren of alle dichters wel degelijk na 1980 gedebuteerd zijn. We hadden ons dan kunnen afvragen of Marieke Jonkman alias Anton Ent ook tot deze categorie behoort en of Maja Panajotova niet voor die datum in Bulgarije als dichteres werd geboren. Maar iedereen heeft al begrepen dat de keuze voor een andere identiteit of taal ook een andere dichter oplevert en dat Chrétien B. dus terecht deze dichters na 1980 situeert.

- Ik wilde ook nog tellen hoeveel dichters er zijn, hoe oud ze gemiddeld zijn, op welke gemiddelde leeftijd ze gedebuteerd zijn, hoeveel mannen en vrouwen er opgenomen werden. Op het getal dichters kom ik later terug; maar van een onderzoek van de leeftijden heb ik afgezien omdat Chrétien B. die vergeten vermelden is.

- Ik had ook nog graag geturfd hoeveel dichters uit de jaren tachtig, uit de jaren negentig of van de laatste vijf jaar er opgenomen werden. Maar ook daar zag ik van, want ik kon zo al met de natte vinger voorspellen dat het gewicht van de keuze toch op de laatste vijf à tien jaar ligt. Chrétien B. is immers een man van zijn tijd en niet stokoud als Kees Fens of Gerrit Komrij.

- Ik had ook het plan om te jeremiëren over de hoeveelheid gedichten die er van elk dichter opgenomen zijn, of te onthullen bij welke uitgevers de meest interessante jonge dichters verschijnen. Maar nee, ik laat dit over aan de gedegen poëziecritici, ik bedoel statistici, van de Nederlandse en Vlaamse bladen. Zij zullen hun grafieken opstellen en afwegen wie er maximum zes of slechts één gedicht gekregen heeft.

- Ik had me vandaag ook bezig kunnen houden met de vraag of door Chrétien B. binnen het oeuvre van één dichter wel de beste of meest representatieve gedichten werden gekozen – en wat de criteria daar voor waren. We dreigen echter al vlug te verzanden in subjectieve praatjes.

- Bovenal had ik de bedoeling om naar de intenties van Chrétien B. te peilen om deze bloemlezing samen te stellen. Daarvoor had ik natuurlijk het voorwoord goed moeten lezen en Chrétien B. vastpinnen op zijn definities van poëzie, kijken naar de critici die hij vernoemt (Thomas Vaessens en Herman de Coninck bien etonnés) en de dichters die hij naar voren schuift, kortom: ik zou zijn poëtica hebben moeten reconstrueren. Ik had dan ook het weblogdagboek moeten screenen dat hij heeft bijgehouden, en ik had de interviews moeten lezen die hij her en der al overijverig – om mijn werk hier extra moeilijk te maken - over zijn bloemlezing heeft gegeven. Maar ik ben er eerder voorstander van om die poëtica uit de keuze van de gedichten te halen. Dan verzeker ik: dat is knap lastig. Chrétien B. wil breed zijn en hij is dat ook. Dat betekent bijvoorbeeld dat hij dichters opneemt die hij elders bestreden heeft. Toch kun je zeker niet zeggen dat hij alleen maar op reputaties afgaat. Sommige dichters met een reputatie heeft hij weinig en anderen zonder reputatie veel ruimte. Ik herhaal het: Chrétien B. is een ruimdenkend mens.

Deze avond had ik ook ludieker te werk kunnen gaan: ik had kunnen zoeken naar de dichter met de meest poëtische naam (is dat niet Catharina Blaauwendraad?), met de het meest inslaande vers, met het gaafste beeld, het dwingendste ritme, de aardigste alliteratie, de puntigste pointe. Of ik had mijn persoonlijke voorkeuren kunnen bespreken. Dat zijn er niet veel, want zoals de samensteller zelf ergens zegt, er wordt heel wat vlakke poëzie geschreven en ik heb heel wat biljartgladde poëzie in de bloemlezing gelezen: de dode Gertrude Starink is een van de uitzonderingen.

Maar niets van wat ik mij voornam heb ik gedaan. Ik wenste immers de samensteller ter wille te zijn. Ik weet niet in welke hoedanigheid ik hier ingehuurd ben: die van Vlaam of van literatuurwetenschapper. Maar ik speel graag de rol van deze laatste als dat moet, want ik ben wel eens gek op de “filosofisch gerichte moppentrommel” van de literatuurwetenschapper, een van die typische Breukers-boutades waar hij zich graag vrienden mee maakt. Een literatuurwetenschapper is – om zelf ook maar een boutade te lanceren - een soort punchbal voor de niet-academicus, want hij slaat toch niet terug. Men heeft hem alleen nodig als consecratiemedium. Alleen al doordat ik hier als academicus het woord voer, legitimeer ik deze bloemlezing. Laat ik me gebruiken? Graag. Voel ik me misbruikt? Welnee. Chrétien B. heeft immers uitstekend werk verricht.

Meer hoef ik over mijn positie als literatuurwetenschapper niet te zeggen. Het enige wat ik dus nog kan doen is: de positie van de Vlaming beschrijven in des Breukers vettigen bloemengaarde. Zegt hij immers niet zelf in zijn woord vooraf dat hij speciale aandacht heeft besteed aan de Vlaamse en Friese minoriteiten? Wie zijn die Vlamingen in dit aankomende standaardwerk? Zijn er genoeg? Hoeveel gedichten gemiddeld krijgen ze en is dat meer dan het gemiddelde van de Nederlandse dichters? Is er een verschil in dichten tussen de Vlaam en De Fries of de Hollander? Dat zijn allemaal mogelijke vragen en ik heb inderdaad nagegaan hoeveel dichters er opgenomen werden en hoeveel Vlamingen er in staan en hoeveel gedichten ze vertegenwoordigen. Maar ik moet u teleurstellen. Mijn 7 en een halve minuut zijn om. Het antwoord wil ik u straks graag onder vier ogen geven. Ik wil alleen kwijt dat onder de laatste 24 dichters geen enkele Vlaming zit. Maar dat kan toeval zijn.

En nu een punch om op dit copieuze boek feestelijk te klinken!

Hans Vandevoorde
19/10/2006

 

25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980 - 2005, in 666 en een stuk of wat gedichten

breuk.jpg 

Verliefd als hij  is op de “Dikke Komrij” vond Chrétien Breukers, drijvende kracht achter het weblog de Contrabas, dat de periode 1980-2005 in de poëzie aparte belichting verdient. Chrétien kreeg van zijn uitgever Ton den Boon (BnM uitgevers) de kans een nieuwe bloemlezing samen te stellen die 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980 - 2005, in 666 en een stuk of wat gedichten  heet.
De bloemlezing wordt voorgesteld in Amsterdam (Cotton Club) en Utrecht (Café Van Wegen, organisatie SLAU). Een Vlaams luik kan ik aan de promotie vooralsnog niet ontwaren en dat is misschien wel jammer, want over het algemeen heeft Breukers geen last van Hollanditis.
Of er verrassende keuzes zijn gemaakt zullen we ongetwijfeld nog vernemen via de literatuur logs, maar we kijken ernaar uit.
(zie hier voor meer details)

Eresaluut aan Mettes in De Morgen

Geëindigd bij de G

Terwijl ik dit stukje schrijf, dinsdag 26 september, wordt in Den Haag de jonge dichter en literatuurwetenschapper Jeroen Mettes (1978-2006) gecremeerd. Hij maakte zelf een einde aan zijn leven. Ik heb hem nooit ontmoet, op het internet zoek ik tevergeefs naar zijn geboortedag om te weten of hij al 28 jaar was of nog moest worden op het moment dat hij besloot dat het genoeg was geweest.
Waarom hij zo jong uit het leven stapte? Ik kan er maar naar gissen, zoals zovelen die hem alleen maar ‘van lezen’ kenden. Op zijn weblog schreef een vriend dat hij al jaren depressief was.
Mettes publiceerde slechts enkele gedichten en essays in de literaire tijdschriften Parmentier en Yang (waarvan hij sinds kort ook redacteur was geworden). Bij het literaire internetwereldje genoot hij bekendheid als een gedreven weblogger. Zijn weblog, ‘Poëzienotities’, behoorde tot de interessantste van het taalgebied. Ik leerde zijn blog kennen door het essay van Jos Joosten over ‘recenseren in tijden van internet en weblog’ (pdf) waarin Mettes genoemd werd als voorbeeld van iemand die door de snelheid van het internet “ineens alomtegenwoordig was” in het poëziedebat. Terecht, meende Joosten (en ik sluit me volmondig bij hem aan), want Mettes’ bijdragen getuigden van “een scherp inzicht, uitgesproken opinies en een fraaie pen”.

Op 21 september was Mettes voor het laatst actief op zijn weblog. Hij postte om 2u19 ’s nachts een leeg bericht. Geen uitleg: alleen wit. ’s Ochtends kwam er een eerste reactie van Chrétien Breukers, ook een verwoed blogger: “Zeer origineel, deze recensie van Leegte, leegte die ademt”. Breukers veronderstelde dat Mettes met zijn lege posting reageerde op de essaybundel van Yra van Dijk; over ‘het typografisch wit in de moderne poëzie’, verschenen bij uitgeverij Vantilt.
“Posted by Jeroen Mettes” was de laatste keer doelbewust leeg, zo meldde een vriend echter enkele uren later. De literaire webloggers reageerden ontzet op het bericht van zijn zelfmoord, hoewel velen hem nooit ontmoet hadden, beschouwden ze hem als een persoonlijke vriend. “Verdomme,” zo schreef de dichter Ruben van Gogh: “Hij was een van de weinigen waarvan ik echt nieuwsgierig was wat hij over een aantal poëziekwesties te zeggen zou hebben.”
Xavier Roelens getuigde: “Het raakt me, meer dan ik me dat kan inbeelden van iemand die ik nog nooit ontmoet heb”, en Jos Joosten had het over “het verlies van een onvervangbare stem in de debatten”. De Vlaamse poëzieweblog ‘Parlandooooh!’ meldde: “Het ziet er naar uit dat zijn Dichtersalfabet voor eeuwig is blijven steken bij de G van Koenraad Goudeseune. Zijn website Poëzienotities voegde iets bijzonders toe in het Nederlandstalige poëzielandschap”.

Mettes begon met zijn weblog in juli 2005. Vrijwel meteen begon hij ook met zijn ‘Dichtersalfabet’. Hij besloot bij de poëziekast in de Haagse boekhandel Passage zijn “blogproject alfabetisch aan te pakken”, door systematisch auteurs te kiezen en individuele bundels te bespreken: “Zo’n bundel schaf ik aan en lees ik in het restaurant van de Hema onder het genot van een grote beker Coca-Cola Light.” Hij begon bij de A.
Zijn eerste bijdrage bevatte ook een soort beginselverklaring; “Poëzie is simpelweg dat wat in een gedicht niet te reduceren is tot tekst, vorm of inhoud.” Als doctorandus aan de universiteit van Leiden werkte hij aan een proefschrift over ‘poëzietheorie’, die hij echter niet los wilde zien van “een zeker subjectief engagement’. Hij hield van poëzie die “erkent dat er altijd wel ergens iets, op wat voor wijze dan ook, ontploft of op ontploffen staat.”

Zijn soms filosofisch onderbouwde, soms impressionistische bijdragen zorgden vaak voor levendige discussies. Hij wendde zich bijvoorbeeld niet af van de academische poëzie: “Ik schaar me niet onder de principiële vijanden van geleerdheid in poëzie. Waarom jezelf beperken tot de kont van je geliefde? Nee, daar mag best wat Griekse mythologie of kwantumtheorie tegenaan; dat kan die kont best hebben.” Ook mocht er meer wereld in de poëzie. Zo vroeg hij zich af waarom niemand een gedicht schreef over de Venezuelaansee president Hugo Chaves: “Is een (ongetwijfeld klein) wonder voor de armen een minder interessant onderwerp dan de (ongetwijfeld zeldzame) ervaring van het Niets of het Sublieme voor de gepriviligeerden?”

Na een zelfmoord speur je in het werk naar vooruitwijzingen. Ergens vermeldt hij de zelfmoord van Walter Benjamin en in mei 2006 noemt hij de sterfdag van Ian Curtis “één van de belangrijkste dagen op de zelfmoordkalender!”, maar verder zijn op op het weblog nauwelijks ‘zelfmoordverwijzingen’ te vinden. De laatste maanden kwam de poëzie er ook minder aan bod. Hij fulmineerde tegen de oorlog in Irak en Libanon en plaatste veeleer filmpjes in plaats van poëziebeschouwingen. Mede door zijn academische bezigheden werkte hij nog maar sporadisch zijn dichtersalfabet bij. Hij was bij de G gekomen, en in juni schreef hij nog opgewekt: “Oké, genoeg filmpjes. Komt eraan: De H van Harmens.”

Maar de H is niet gekomen. In de zomer leek hij moe te zijn. Zo schreef hij in juni: “Ik houd overal mee op en begin een broodjeszaak in de woestijn”. Maar dat is speculatie achteraf, want in juli merkte hij nog vrolijk op dat hij bepaalde frasen – zoals “voetbal is kunst” of “het einde van de grote verhalen” - niet meer wilde horen “in de tweede helft van 2006 en daarna”.
Helaas komt er geen daarna meer.

Johan Vandenbroucke in De Morgen op 27/09/06

(hv)