Prozapoëzie

Of is het poëtisch proza?
Nog niet zo lang geleden verscheen een bloemlezing met prozagedichten samengesteld door Jan-Willem van der Weij. Deze week verschijnt van De Brakke Hond een themanummer over het prozagedicht.

Hier kunt u een blik werpen op de inhoudstafel. On line bestellen kan hier. En hieronder leest u alvast de inleiding tot het nummer.

Inleiding
In de inleiding tot de 100 beste gedichten van 2005, de bloemlezing die elk jaar door de VSB stichting wordt uitgegeven, schrijft Lut Missine dat ‘opvallend veel dichters naar het proza lonken, wat niet noodzakelijk met een grotere toegankelijkheid hoeft samen te gaan.’ Ze heeft het over het een ‘mooi, provocerend genre’, het prozagedicht:

‘Het lapt alle conventies over wat proza en poëzie is, aan zijn laars. Het heeft een ‘nationale’ traditie (Van Deyssel, Elburg, Schierbeek, Bernlef) en een internationale, met vooral Franse voorvaders. Het combineert het triviale en het verhevene, is modern en postmodern. Het is als rugby, je speelt het met je handen en voeten. Het prozagedicht is, zoals Bernlef zei, het terrein van ‘vage vermoedens, aarzelingen, twijfels, een gebied waar nog geen keuzes zijn gemaakt en de strengheid van de enige juiste poëtische regel nog even wordt uitgesteld.’ Daarmee levert het de actuele poëzie een beeld bij uitstek voor de keuzevrijheid van de schrijver én de lezer.’ (1)

Dat de interesse voor het prozagedicht de laatste tijd toegenomen is, wordt nog duidelijker als we deze uitspraak zetten tegenover wat Elma van Haren slechts enkele jaren geleden schreef over het prozagedicht in onze contreien:

‘(…) ik heb Nederlandstalige schrijvers gelezen die eigenlijk prozagedichten hebben geschreven, maar die het presenteren als proza. Prozagedichten worden in Nederland niet serieus genomen en daarom nooit of nauwelijks besproken. In de rest van de wereld is het een autonome vorm met evenveel bestaansrecht als proza en poëzie. De Nederlandse schrijver denkt: dan noem ik het maar proza, dan verzeker ik me tenminste van de aandacht.’ (2)

Met het nummer dat voor u ligt, kunt u het terrein van het zich emanciperende prozagedicht alvast verder verkennen. Onze vraag om een bijdrage werd door dichters vanuit de meest diverse poëticale hoeken positief onthaald, wellicht een verder teken dat het prozagedicht op een toenemende belangstelling kan rekenen. Uiteindelijk bleek de ruimte van een tijdschriftnummer nog te beperkt: we hadden dezelfde vraag ook graag aan nog meer dichters gesteld. Enkele dichters die nogal wat prozagedichten op hun naam hebben, reageerden enthousiast maar hadden al andere plannen met hun schaarse tijd. Het bloemlezinggedeelte in dit nummer is dan ook helemaal niet bedoeld als een staalkaart die representatief is voor het prozagedicht in de Nederlandstalige literatuur op dit moment. Veeleer wil het de lezer laten delen in het enthousiasme voor een dichtvorm die ook veel beginnende dichters lijkt aan te spreken. In het gedeelte Inspiraties kan dankzij vertalingen ook geproefd worden van prozagedichten uit andere taalgebieden, en uit andere tijden, zoals een prozagedicht dat 4000 jaar geleden in het Sumerisch geschreven werd.

Nogal wat dichters stuurden ons gedichten die zich eerder als mengvormen tussen het gedicht en het prozagedicht laten lezen. Daarbij kwamen kwesties over het schrijfproces zelf en een zoeken naar een definitie van het prozagedicht naar boven. Een ervan is (met toestemming) hier opgenomen. Dat dichters daarbij niet vertrekken van strakke genrebepalingen wordt al gauw duidelijk, bijvoorbeeld in deze overdenking van Chris Honingh:

‘Mijn gedachten omtrent het prozagedicht zijn niet zeer uitgesproken, want ik denk daar bij het dichten niet over na, de vorm volgt bij mij de inhoud, die ik van veel grotere betekenis acht. Een prozagedicht is volgens mij een stuk proza met een poëtische inslag, dit in tegenstelling tot proza dat meer anekdotisch getint is.’

Honinghs uitgangspunt waarbij hij niet werkt met een vaste bepaling van het prozagedicht, zal er een zijn dat vele dichters en poëzielezers herkennen. Een poging om het prozagedicht nader te bepalen, is daarom niet minder boeiend. Zowel in het gedeelte Beschouwingen als in Inspiraties wordt op deze kwestie ingegaan.

Een sluitende bepaling van het prozagedicht is echter helemaal geen vereiste. Om een dichter te citeren wiens bijdrage we vanwege zijn drukke bezigheden moesten missen:

‘Iedere sluitende definitie is een sluipmoord op de ziel der dingen, die uit stilte bestaat.’ (3)

Gelukkig spreken de prozagedichten uit hun eigen stilte voor zichzelf. In dit nummer is diversiteit alvast geen schaars artikel: moge geen enkele lezer op zijn honger blijven.

Alain Delmotte en Herlinda Vekemans, april 2007

(1) De 100 beste gedichten van 2005, gekozen door Lut Missinne, Stichting VSB Poëzieprijs, De Arbeiderspers, 2006
(2) In een reeks brieven die ze schreef voor Dietsche Warande & Belfort, 2001/4.
(3) Erwin Mortier, Avonden op het landgoed, De Bezige Bij, 2007, p. 48.

Tip top (1)

Op 13 oktober weten we wie op de zogenaamde toplijst van de AKO literatuurprijs 2006 zal staan. Dat kunnen drie tot maximaal zes auteurs zijn. De winnaar kennen we pas op 10 november. Uiteindelijk zal het iemand zijn wiens boek verkozen wordt boven dat van de 344 andere inzendingen, iemand die een prijs van 50 000 euro in de wacht sleept. Spannend, maar de 22 auteurs die een plaatsje op de zogenaamde tiplijst hebben, krijgen daardoor ook nu al erkenning voor hun werk. Dit jaar gaat het om: Gerbrand Bakker, Bernlef, Stefan Brijs, Remco Campert, Kees ’t Hart, Ben Knapen, Piet Meeuse, Ann Meskens, Hans Münstermann, Joris Note, Frits van Oostrom, Rascha Peper, Marja Pruis, Joyce Roodnat, Peter Terrin, Manon Uphoff, Dimitri Verhulst, Jacq Vogelaar, L.H. Wiener, Tommy Wieringa, Christiaan Weijts, Henk van Woerden.
Tot 13 oktober een achterplatkennismaking met het boek van de Vlamingen op deze lijst, vandaag Hoe ik mijn horloge stuksloeg van Joris Note.
 
Joris Note debuteerde in 1992 met de autobiografische roman De tinnen soldaat. Daarna volgden twee verhalenbundels: in 1995 Het uur van ongehoorzaamheid en in 1999 Kindergezang, dat verschillende prijzen en nominaties kreeg. Zijn Timmerwerk (2002) stond op de longlist van de Libris Prijs, werd genomineerd voor de Literatuurprijs Gerard Walschap en bekroond met de Literaire prijs voor proza van de provincie Antwerpen.

Op de AKO tiplijst: Hoe ik mijn horloge stuksloeg
Een vrouw en een man ontmoeten elkaar op een afgelegen plaats. Allebei zijn ze aan het wachten, de vrouw beroepshalve, de man uit een soort treurnis. Ze vertellen elkaar verhalen. En ze praten met hartstocht over de wereld waarin ze leven, een wereld die alle vreemdheid buitensluit, ook de hunne. Ze komen in aanvaring met kunst en politiek, met schone gevoelens en schone taal; en met het kwaad, maar wat is het kwaad? Ze lijken het alledaagse geratel en gesnoef erger te vinden dan Dutroux of het terrorisme. Intussen schrijft de man beelden en ideeën op, en herinneringen aan een ver en soms beknellend verleden. Hij wil dat verleden loslaten,maar niet helemaal. Waarop wachten de man en de vrouw eigenlijk? En hoelang nog? Het wordt tijd dat ze in beweging komen. Hoe ik mijn horloge stuksloeg vertelt, zonder moralisme maar ook zonder lacherigheid, over wezenlijke dingen. Het vermengt op een speelse manier fictie en autobiografie, verhaal en beschouwing,taalplezier en taalwoede.
Joris Note, Hoe ik mijn horloge stuksloeg, De Bezige Bij, 2006

(hv) 

Querido filmportretten: Thomas Rosenboom

Querido begint donderdag met een wekelijkse reeks “filmortretten”. Elke week verschijnt een filmpje van een drietal minuten over een van de Querido-auteurs. Thomas Rosenboom, van wie deze week de verhalenbundel Hoog aan de wind verschijnt mag de spits afbijten. Geplande auteurs zijn verder: Bernlef, David Mitchell, K. Schippers, Désanne van Brederode, A.F.Th. van der Heijden, Robert Anker, Natalie Koch, Kees ‘t Hart, Jan van Aken en Wanda Reisel.