In Italiam cogitare

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

‘Ik hoor dat jij, hoogedele jongeheer, eraan denkt naar Italië te reizen. En ik hoor dat graag.’ Zo’n vierhonderd jaar geleden gaf Justus Lipsius in een brief dit fiat aan een student. Inzicht, kennis en levenswandel moet een reis, een peregrinatio, bijbrengen volgens deze professor.

In zijn Latijns epistel legt hij uit dat we reizen om te leren kennen wat nog niet in boeken staat. Deze dingen noemt Lipsius de latentes litterae, de ‘verborgen literatuur’. Misschien daarom kan lezen over reizen zo bedrieglijk zijn, het is immers lezen over het niet-geboekstaafde. Walter Benjamin wist de twijfelachtigheid van verhalen al te ontmaskeren in zijn werk over Napels. ‘Fantastische reisverslagen hebben de stad gekleurd. in werkelijkheid is ze grijs.’ Toch doopt iedere criticus op zijn beurt zijn pen in de gemaakte beschuldiging. Ook in de literatuur blijft de mens reizen, zoals sinds het begin ervan.
Want reeds toen Lipsius zijn brief schreef, kende de reisliteratuur een indrukwekkende geschiedenis. Als voorbeeld haalt hij Odysseus aan, die ‘van vele mensen de steden zag en hun aard leerde kennen.’ Ook Aeneas, die andere grote held uit de Trojaanse oorlog, was een reiziger, ‘veel zwierf hij rond over zeeën en landen’. De epen die Homerus en Vergilius over hen schreven waren niet toevallig dé uithangborden voor hun beider culturen. Reizen zit al eeuwen in de mens, evenals schrijven en lezen over die reizen.

Misschien komt reizen voort uit een stuwende begeerte, een fundamentele ontevredenheid, die Adriaan van Dis probeert te beschrijven. ‘Ik zie de zee als ik over Parijs kijk. Misschien wil ik altijd daar zijn waar ik niet ben.’ Daarom gaat de mens op reis, om het eeuwige verlangen naar elders even te bedaren, onderweg kan men niet elders zijn. Want ‘wie op reis is, is er niet, die is nergens, die is altijd ergens niet.’ Dit bedenkt Brouwers in ‘Zomervlucht’, over een man die op reis gaat met het boek over Odysseus, oerzwerver.

We reizen ook op zoek naar een beeld van het ooit-gebeurde, naar het onzichtbare dat Cees Nooteboom, in ‘De filosoof zonder ogen’, vragend probeert te beschrijven. ‘De tijd kan niets en de geschiedenis is niets anders dan een verzameling ogenblikken – maar hoe heten dan de krachten die zo’n plein bewaren en tegelijk veranderen?’ Niets kan de tijd, behalve een spel spelen met de reiziger. Of gaat het andersom, zoals Nooteboom schrijft en schrijft de reiziger de regels, ‘liegt hij een helder verleden bijeen’? Het spel heet continuïteit, of ook wel houvast, ‘daarom leest hij de dichter voor wie in deze stad elke nieuwe tijd een nieuw standbeeld heeft opgericht’.

In juli zat ik nog in Verona, onder het standbeeld van Dante, met een boek in mijn handen. Een distichon uit zijn eerste werk, ‘Vita Nuova’, kwam in me op. ‘Ach, pelgrims, die daar voortgaat op uw schreden, / denkend wellicht aan iets dat gij niet ziet.’ Reizen is evenzeer als zien ook denken, even mogen ‘filosoof zonder ogen’ zijn, enkel kijken naar het beeld.

Na zijn verbanning in 1302 was Dante wel verplicht om rond te zwerven, als ‘een pas vertrokken pelgrim die van liefdevol verlangen trilt, als hij in de verte een klok hoort luiden.’ Hij was reiziger bij uitstek, ‘de ogen strak op het doel, het hoogste goed’, zoals hij zelf de pelgrim beschrijft. De door simonie verdorven Rome-bedevaarten wantrouwde hij, die doorzag dat het hele leven een pelgrimstocht is. Dante leert ons over reizen en leven dat we slechts vinden, zolang we blijven zoeken, ‘zolang ons doen voortkomt uit moedige gelatenheid en niet uit lafhartig getreuzel of uit ongeduldige haast.’ Zo vat Wiel Logister de mystiek van Dante samen. Moedige gelatenheid, tegenover al die ideeën en gebruiken, zonder haast of treuzeling. Is het ook niet zo met lezen? Al die boeken…

Net als de student van Lipsius denk ook ik er aan om alleen naar Italië te reizen. Plato zou het me stellig hebben afgeraden, voor hem was reizen voor de jeugd al even verderfelijk als literatuur. Ook Lipsius zou wantrouwig zijn geweest, maar eerder dan wantrouwen jegens de jeugd koesterde hij vertrouwen in karakter. Ik hoop enkel dat mijn reizen verder zullen gaan dan de boeken die ik erover lees, zonder deze te vergeten.

Want we reizen tot slot ook onze helden achterna. Ook hierover schrijft Lipsius aan de student, over het geluk ‘wanneer we de aarde betreden die zij [onze helden] zovele malen met hun voetstappen hebben gedrukt.’ We reizen doorheen ons leven, onze gidsen volgend, die misschien al lang verdwenen zijn.

We móéten reizen, zoals de zwerver uit dat boek van Brouwers, ‘ik loop maar en loop en sta niet stil’. Of als filosofe Ann Meskens, ‘laat me maar wandelen, het denken volgt wel’. Zoals alle reizigers, eigenlijk, die me al zijn voorgegaan, die ik wil volgen. Niet helemaal als Dante, voor altijd zwervend, maar toch aan hem denkend. Op weg naar het midden van de reis doorheen mijn leven, en daarna weer verder.

De ziekte zelf

Mijn postmoderne dromen

Lezerskwalen