(6) De hokjes voorbij
In deel 2 van Vaessens’ boek worden zes romans geanalyseerd vanuit de derde positie in zijn boek, die van het laatpostmodernisme. Het zijn echter geen pure besprekingen van romans met dit uitgangspunt in gedachten want Vaessens gaat ondertussen ook verder met zijn theseuitwerking over de derde positie. Elk gedeelte krijgt een onderzoekshoek vanuit de basisstelling (het laatpostmodernisme) mee. Een roman van Robert Vernooy en Frans Kellendonk komen aan bod in het gedeelte over ‘Postmoderne ironie en het streven naar waarachtigheid’, romans van Joost Zwagerman en Arnon Grunberg in ‘De geblokkeerde schrijver en de ontwaarding van de literatuur’ en romans van Marjolein Februari en Charlotte Mutsaers in ‘De schrijver, de publieke ruimte en het engagement’.
Uit de aard van de besproken romans blijkt bovendien dat Vaessens’ analyse niet vertrekt vanuit hokjesdenken over wat geëngageerde literatuur is. Het boek van Robert Vernooy bijvoorbeeld zou je ook een psychologische roman kunnen noemen en Charlotte Mutsaers had met haar ‘Koetsier Herfst’ geen geëngageerde bedoelingen, zo blijkt uit haar eigen commentaar op het boek. In alle onderdelen van de analyse valt bij het lezen ervan weer op in hoeverre dit boek het denken over de romanliteratuur oprekt. Het komt er dus op aan het boek zelf te lezen en zelf de lectuur van romans (of het schrijven ervan) te toetsen aan de blootgelegde en geanalyseerde denkpistes.
Een ander pluspunt van dit boek is dat het niet vertrekt van statische posities, maar dat de ontwikkeling van schrijverswerk erin zijn plaats krijgt. Vaessens analyseert vanuit een vinger-op-de-polspositie. Het duidelijkst toont zich dit in het geval van M. Februari die na postmodern werk overschakelt op Marjolein Februari en in ‘De literaire kring’ de bereikbaarheid van literatuur en de toenadering tot het lezerspubliek thematiseert. Uit Vaessens’ analyse blijkt Februari’s worsteling met het potentiële morele karakter van literatuur en uit de aangehaalde reacties van de romanfiguren komt het hele palet van hoge-lage literatuur zowel in productie als in receptie aan bod. De afstandelijke beschouwing van literatuur door de eminente leden van de literaire kring in Februari’s roman zijn een mooie illustratie van het onbewuste mechanisme van insluiten om uit te sluiten (zie hieronder nr. 3). Of de gegoede burgers in villa’s met invloed op het reilen en zeilen in de maatschappij die Februari met haar literatuur wil bereiken iets aan kunnen met de in haar roman gethematiseerde chicklit is dan weer een andere vraag.
Met het gedeelte over de postmoderne ironie en het streven naar waarachtigheid slaat Vaessens spijkers met koppen. Met zijn keuze van Vernooys boek, ‘De dingen die er niet toe doen’ en zijn analyse ervan geeft hij een scherp zicht op de roofbouw van cynisme op de mens (en literatuur). Ook Kellendonks ‘Mystiek lichaam’ past in deze analyse. Dit gedeelte van Vaessens’ analyse deed me sterk denken aan het laatste boek van Ger Groot, ‘De gelukkigste illusies’, met overwegingen over de relatie kunst –publiek en o.a. een essay over het cynisme. (1)
Het minst goed uitgewerkt vond ik het gedeelte over de geblokkeerde schrijver en de ontwaarding van de literatuur. Zoals ook gemeld in het volgende deel in de Groene Amsterdammer en in het stuk van Rutger Cornets de Groot zijn hier aanvullingen nodig. Met een tv-debat of een interview gaan we er in dit opzicht niet komen. Ik heb het tv-debat met Vaessens niet gezien, maar het feit dat er zo’n debat geweest is, is een ironische aanvulling op Vaessens’ analyse van een boek van Zwagerman waarin een auteur in een tv-debat onderuit gehaald wordt door kille en van de oppervlakkige versie van het postmodernisme doortrokken vragen. Als Vaessens zo’n debat heeft willen ondergaan, dan heeft hij de plaats van de schrijver ingenomen en de volle belichting van de media gevoeld. Het past in zijn pleidooistijl, waarin hij de rol van literatuurwetenschapper verlaat en in plaats van oorlogscorrespondent zelf strijder wordt.
(1) Ger Groot, De gelukkigste illusies. Over kwaad en verlossing. Uitgeverij Sun, Amsterdam, 2008
Zie bespreking op m’n weblog, post van 01/09/2008
(hv)