(5) Regeldrift en cultuurpolitiek

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

Het deel van Vaessens’ boek waarin hij zijn hypothese over het ‘laatpostmodernisme’ uitwerkt is voor lezers veruit het boeiendst omdat ze hier hun eigen houding ten opzichte van lde literatuur van vandaag kunnen toetsen. Zijn analyse begint met de vaststelling dat 9/11 in en buiten de VS de verwachting wekt dat het relativerende standpunt van het postmoderne denken aan diggelen ligt. Verder met de constatering dat het postmodernisme al lang voor 9/11 het relativerende in vraag stelde, dit bij auteurs als Dirk Van Bastelaere, Marc Reugebrink, Chris Keulemans, Marc Kregting, M. Februari in de lage landen. Hij leidt de lezer even door de Engelstalige literatuur en langs Alain Badiou om vervolgens bij de ambigue houding van Grunberg uit te komen, die in De mensheid zij geprezen twee literaire taboes thematiseert: ‘het taboe op boeken die aansluiting vinden bij een groot publiek en het taboe op het schenden van de autonomiedoctrine. En dat zijn precies de (moderne én postmoderne) taboes waarmee de laatpostmoderne auteur worstelt.’ (p. 86)

De postmodernen zijn er volgens Vaessens met hun kritiek op de autonomie van de literatuur en de eraan gekoppelde betrachting van tijdloze, universele literatuur niet in geslaagd de literatuur dichter bij de alledaagse werkelijkheid van het lezerspubliek te brengen: ‘Nu de strijd van de postmoderne relativisten tegen de humanistische ideologie gestreden is, ziet de laatpostmoderne auteur dat de schrijver daarmee niet uit z’n isolement verlost is. Hij is buitenstaander gebleven.’ (p. 87)

Het element strijd krijgt hier veel nadruk. De inhoudelijke verdieping die postmoderne teksten bieden, is weer naar de achtergrond verdwenen. De positie van de schrijver als observator krijgt automatisch een negatieve connotatie. Het lezerspubliek lijkt nood te hebben aan literatuur die dicht bij alledag staat.

In een vorige paragraaf werd een autonome positie van de literatuur ‘minder onschuldig dan ze lijkt’ genoemd: ‘Ze kan gemakkelijk het karakter van een ideologie krijgen. Dat gebeurt wanneer aan het axioma dat de wereld van het kunstwerk een in zichzelf besloten universum is, de conclusie verbonden wordt dat het kunstwerk zich dus onttrekt aan, of zelfs verheft boven, de alledaagse werkelijkheid.’(p. 87)

Nu de woorden ideologie en alledaagse werkelijkheid toch gevallen zijn, noopt de geschiedenis gewag te maken van minstens één voorbeeld waarin autonome literatuur ook minder onschuldig dan ze lijkt bevonden werd. Waarin schrijvers opgelegd werden zich met de alledaagse werkelijkheid bezig te houden en dichters makkelijk leesbare en begrijpelijke poëzie dienden te schrijven. Als proeflezers over een gedicht van Boris Pasternak meldden: ‘Hier valt geen touw aan vast te knopen. Het gedicht kakelt als een kaalgeplukte kip. Vreselijk.’, dan werd deze kritiek ter harte genomen. In 1927 verscheen bij het Sovjet Hoofddirectoraat voor de Literatuur een handleiding voor schrijvers: ‘Wat voor boek heeft de boer nodig?’ Maksim Gorki leidde vervolgens alles in goede banen. De literatuur diende aan te sluiten bij de dagelijkse werkelijkheid en de socialistische ervaring, dus geen autonome literatuur meer. (1)

Een dergelijk extreem voorbeeld zou niet nodig mogen zijn om ons eraan te herinneren dat de term ideologie met gelijk welke positie in de literatuur verbonden kan worden. Dat het erop aan komt posities in literatuur niet te willen opleggen, zeker niet vanuit geld- of machtscentra. Mocht straks in een pleidooi geargumenteerd worden dat alleen auteurs die subsidies aanvragen of krijgen nog aandacht van critici verdienen dan is er nog steeds geen Sovjetlitdictatuur geïnstalleerd. Slechts een regeldriftige cultuurpolitiek als logisch gevolg van de cultuurindustrie en de vooropgestelde cultuurparticipatie. Allicht met planning en deadlines.

(1) Frank Westerman. Ingenieurs van de ziel. Atlas, 2002, p. 64-65.

(hv)