(4) Autoriteit en nostalgie

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

Vaessens schetst in een kort bestek een goed beeld van de diepgang van het postmoderne denken zoals zich dat voornamelijk in (voor hem) het buitenland toont. Hij moet echter constateren dat het postmodernisme in Nederland erg laat doordringt en dan nog in een oppervlakkige variant. Bij Nederlandse critici wordt het vooral begrepen als ‘een op de (Amerikaanse) massacultuur georiënteerd, ludiek postmodernisme’, ‘met het relativistische anything goes als devies.’(p. 54). Een postmodernisme ook dat vrij snel - want eenvoudig te begrijpen - zijn weg vindt naar de Nederlandse mainstream cultuur in de vorm van een handig scheldwoord. In de Vlaamse literatuur van na ’68 is de invloed van het Franse filosofische postmoderne denken veel diepgaander dan in Nederland. Zoals elders ook al gesteld: Nederland als buitenland voor de Vlaamse literatuur.

Op p. 58 krijgen we een eerste glimp van hoe Vaessens vanuit zijn analyse tot zijn pleidooi kwam. De analyse is het boeiendste gedeelte van het boek, het pleidooi zelf is er een van een literatuurwetenschapper met nostalgie naar ‘betere’ tijden, zoals onder andere blijkt uit het volgende stukje: ‘Als gezegd: het hoge soortelijk gewicht van literatuur in de jaren vijftig betekende niet dat elke arbeider ’s avonds Multatuli of W.F. Hermans zat te lezen omdat critici en leraren hem dat opdroegen. Maar het betekende wel dat er vanuit de hele samenleving met (afstandelijk) respect gekeken werd naar de literatuur, waardoor die literatuur zich dus niet hoefde te bekommeren om haar sociaal-maatschappelijke legitimatie. Hoe dun het draadje ook was dat literatuur aan de alledaagse levens van mensen bond, literatuur zou altijd als relevant worden beschouwd en de schrijver als een intellectueel met autoriteit.’ (p.59)

Het eigenaardige aan deze passage is dat
1) hoewel Vaessens beseft dat de literatuur van voor het postmodernisme in de maatschappij slechts genoot van ‘(afstandelijk) respect’, hij dat toch positief verwoordt.
2) Vaessens lijkt aan te geven dat, gezien de literatuur zich toen niet om de sociaal-maatschappelijke relevantie hoefde te bekommeren vanwege de evidente positie van de literatuur in de maatschappij, die bekommernis eigenlijk ook niet echt nodig is.

Is het Vaessens nu vooral te doen om respect en autoriteit voor de literatuur of om maatschappelijke betrokkenheid? En in hoeverre wordt in deze redenering maatschappelijke betrokkenheid gebruikt als pasmunt voor het blijkbaar zo gegeerde respect?
Waar uit zijn analyse deskundigheid en betrokkenheid bij de literatuur spreekt, spreekt uit zijn pleidooi bedoeld voor (academische) literatuurbeschouwers vooral nostalgie naar autoriteit.

Het boeiendste stuk van zijn analyse moet nog komen.
(hv)