(3) Insluiten om uit te sluiten
In een eerste aanloop tot een serie van these-antithese-synthese beschrijft Vaessens hoe Balkenende in 2006 een boek schreef met daarin een brief aan Mulisch waarin hij om meer maatschappelijk engagement van intellectuelen vraagt. Hij legt met Sloterdijk uit dat de briefvorm van dit boek aansluit bij de humanistisch-modernistische traditie om tegen literatuur aan te kijken. Deze traditie plaatst de literatuur als belangrijk onderdeel van de cultuur op een voetstuk in de maatschappij, en verwacht van zowel schrijvers als literatuurbeschouwers dat ze zich houden aan een bepaalde hiërarchie van goede smaak en literaire kwaliteit en dat ze daarover ook eenduidig oordelen kunnen vellen. Ze kunnen lezers leiden met hun oordelen, en zo een maatschappij tot een hoger niveau van beschaving tillen. De invloed van de Angelsaksische traditie op dit vlak (Eliot, Leavis) wordt uit de doeken gedaan. Schrijvers in dit paradigma genoten een groot aanzien en de literatuur werd omgeven met wat Vaessens mystificatie noemt: ‘literatuur is een bijzondere manier van taalgebruik die dieper reikt dan gewoon taalgebruik. Zij raakt aan het universele en is daarmee boven politiek en zelfs geschiedenis verheven – een ‘zuiverheid’ die door de modernisten als verworvenheid wordt verdedigd.’ (p. 30)
Vaessens wijst erop dat Balkenende (een politicus met veel keurigheid, die zoals wel meer mensen behoorlijk wat last heeft van nostalgie naar de jaren ’50 met de duidelijke normen en waarden van weleer; John Major deed het hem voor in Engeland en ook Yves Leterme met zijn loze woorden over goed bestuur past prima in het rijtje) de maatschappelijke betrokkenheid van schrijvers wel vraagt maar niet echt wil. Dit soort nepgedrag komt verderop in het boek nog ter sprake. Het manifesteert zich wel vaker in verband met literatuur en in het bijzonder dichters worden er nogal eens mee geconfronteerd: ‘verrijk’, versier een activiteit met een gedicht en alle angels worden en passant uit de poëzie getrokken. Het gaat om een (hopelijk) grotendeels onbewust mechanisme van insluiten om het vreemde buiten te houden. De filosoof Zizek verwijst er meermaals naar als een enting op het Lacaniaans gebruik van geld om mensen op afstand te houden (bv. liefdadigheid, prostitutie).
Nog een belangrijk kennisgegeven in Vaessens’ analyse over de literatuur ten tijde van de volle glorie van het humanistisch modernisme volgt aan het einde van zijn eerste deel, iets dat – zie in een later stukje - een bijkomend denkspoor blootlegt. Vaessens geeft de lezer mee dat in de tijd van het humanistisch modernisme de literatuur niet meer aandacht kreeg en er niet meer gepubliceerd werd dan nu: ‘De totale literaire jaarproductie was beduidend kleiner dan vandaag, en ook werd er zeker niet méér gelezen.’ (p. 34). Volg het denkspoor alvast zelf door dit stuk van Harold Polis te lezen. In een volgend stukje eerst iets over de antithese in Vaessens’ analyse: het relativistische postmodernisme.
(hv)
Slavoj Zizek & Glyn Daly. De politiek van het genot, Klement/ Pelckmans , 2004, p. 87 e.v.
Slavoj Zizek. On belief. Routledge, 2001, p. 17.