(1) Boekengekwetter en wapengekletter: De revanche van de roman

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

Sinds de publicatie van Vaessens’ boek over de roman in Nl van vandaag kunt u in de Groene Amsterdammer een debat volgen waarin tot hiertoe romanschrijvers (en critici) Kees ’t Hart, Arie Storm en Wanda Reisel hun mening gaven.

’t Harts stuk vond ik na lectuur van Vaessens’ boek het meest lezenswaardige met een inhoudelijk genuanceerde bijdrage, die bijna grappig maar niet zo bedoeld brompottend in ongenoegen eindigt over de onvermijdelijke etiketten van een literatuurwetenschapper. Arie Storm is boos vanwege zijn door Vaessens blijkbaar misbegrepen recensie van een roman in NL en vanwege Vaessens’ opinies die de zijne niet zijn. Als gevolg van zijn boosheid gaat hij inhoudelijk geheel de mist in (de openingsparagraaf bestaat uit nauwelijks verholen scheldproza). Wanda Reisel geeft na een middelpuntvliedende openingsparagraaf met een dood paard en een kantoorgebouw een erg relevante bemerking, met name over het morele potentieel van literatuur (zonder dat die daarom in expliciet maatschappelijke problemen ingebed is).

Maar bij alle drie valt het op hoezeer ze Vaessens’ boek als een bevelschrift hebben gelezen, als lag zijn bedoeling erin de literatuur te sturen. Ze lazen zijn boek wellicht grotendeels vanuit wat Vaessens de humanistisch-modernistische positie noemt (literatuur heeft een belangrijke rol te vervullen in het totstandkomen en instandhouden van de cultuur en dus indirect ook in de maatschappij; positie van voor het postmodernisme), waarin iemand als Vaessens zelf een poortwachtersfunctie heeft en dus kan sturen. Gedeeltelijk hebben ze daarin gelijk, want Vaessens houdt zich niet bij het beschouwelijke en vervult wel degelijk poortwachtersfuncties zoals jurydeelname in belangrijke prijzentoekenningen, net zoals de poortwachters van vroeger. Hij propageert ze ook, bijvoorbeeld in verband met literatuur op het internet. Maar gedeeltelijk hebben ze naast het boek gelezen, want het boek beschrijft evoluties in plaats van ze te sturen, en staaft die beschrijvingen met een selectie aan bewijsmateriaal. De selectie kan te gezocht en te eigengereid bevonden worden, maar gezien literatuurwetenschap niet werkt met Randomized Controlled Trials kan daartegen bezwaarlijk bezwaar aangetekend worden.

Vaessens beschrijft evoluties binnen wat we hier in Vlaanderen het literatuurlandschap zouden noemen (voor alle duidelijkheid: hij schrijft uitsluitend over de Nederlandse literatuur). Hij doet dat zoals ’t Hart het stelt: bevlogen. Het is een boek dat met de literatuur begaan is, niet een boek dat de literatuur de grond in duwt. Als mijn dagelijks werk het toelaat, zou ik hier graag enkele stukjes uit dit boek willen meegeven en becommentariëren. Het biedt een verhelderende analyse van een welbepaalde evolutie binnen de hedendaagse NL literatuur (over de grootte van het taartsegment kan dan nog gediscussieerd, maar daar is het mij niet om te doen), vinger op de pols, uitstekend gestructureerd, goed geschreven en voor eenieder die met lezen en schrijven begaan is, zonder meer een aanrader.

Herlinda Vekemans