Gedicht – André van der Veeke
Dodemansslaap
Mijn vader als schim,
nu eens klein als een zaadcel,
dan weer de dode reus in bed
die mij niet herkennen wil
Voor het eerst zullen we, maar nee,
het is afgelopen met hem
Zijn gevouwen handen negeren me
terwijl ik zijn verleden streel
Weekhartige man om bang van te worden,
grommend in zijn dodemansslaap
Pijnlijke vluchtwegen onder een laagje
camouflagecrème weggewerkt
Eindelijk bevrijd van zijn mannelijke blik
noteer ik: verlaten, ingevallen wangen
(Nachtelijke hellehonden en koelcellen
bewaken het uitvaartcentrum)
Broze foetushouding verdwenen
Wenkbrauwen geschoren, horrorvoeten
onzichtbaar, neus geslepen
(Ik erf zijn voeten, zijn wenkbrauwen)
Kist blank, standaard, zes handgrepen
Bekleed met satijn en altijd oorlog
(Ik mis hem, mis hem alsof hij
nooit mijn vader is geweest)
© André van der Veeke
André van der Veeke (º 1947). Publiceerde o.a. in Hollands Maandblad, Poëziekrant, Biografie Bulletin. Hoofdredacteur Ballustrada. Dichtbundels: Het Sacrament van de Sneeuw, Reizigers voor alle richtingen, Tekens in het Land, Moerasbeest Verdriet. Volgend jaar tweede bundel bij Wagner & Van Santen: Een goede verkeerde afloop.


