De kanaal Ann Meskens

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

De kanaal

Uit Italo Calvino: De onzichtbare steden

‘Ik zou je kunnen zeggen uit hoeveel treden de trapvormige straten bestaan, wat de kromming is van de bogen der zuilengangen, met welk soort zinken platen de daken bedekt zijn; maar ik weet al dat ik je dan eigenlijk niets zou zeggen. Niet hieruit bestaat de stad, maar uit het verband tussen de afmetingen van haar ruimte en de gebeurtenissen uit haar verleden.’

‘Met deze golf die aanrolt uit de herinneringen wordt de stad doordrenkt als een spons, en zij zwelt op. Een beschrijving van Zaira zoals het nu is, zou het gehele verleden van Zaira moeten omvatten. Maar de stad zegt haar verleden niet, het maakt er deel van uit als de lijnen van een hand, geschreven in de hoeken van de straten, het traliewerk van de vensters, de loop van de trappen, in de bliksemafleiders, de vlaggenstokken, ieder onderdeel op zijn beurt weer getekend door krassen, schavingen, inkervingen, kogelgaten.’

Het zijn wij, wij moderne Westerse mensen die opgescheept zitten met historische hunker, restauratiedwang, behoudsdrift, met de wens: het oude, het oude te laten. Chinezen, bijvoorbeeld, zij die leven aan de andere kant van de wereld en eigenlijk veel meer oudheid hebben dan wij, hebben daar minder last van.
Hun steden veranderen vandaag van aangezicht terwijl je in- en uitademt, ze vernieuwen zich tijdens die ene tel waarop je even de ogen sloot – omdat je overvallen werd door een enkele nies of een lome geeuw, of door een lichte huivering om het nu of een oude herinnering van toen.
Adem in: weg vermoeide huizenrij, adem uit, weg doorsleten ingang van een godentempel, open je ogen: zij durven meren droog te leggen, stuwdammen te bouwen, de loop van rivieren te veranderen. Geboren machthebbers zoals koningen en keizers, hertogen en graven, of zoals stadsplanners en architecten, dromen al eens van het grote rijk China.
Zij dromen vaker: van grote dingen meestal, van hoogte, spektakel en prestige, van een moderne orde te brengen in het gewirwar van straten en pleinen, in het geroezemoes van bewoners en bezoekers.

Maar wij, anders dan veel Chinezen vandaag, wij Westerse mensen met al enkele eeuwen moderniteit achter de rug, ach, we kennen intussen wel haar vrijpostige overmoed en onstuimige vernieuwingsdrang, haar industrialisatie, mechanisatie en controledwang - haar democratisering ook, en inspraak en zoveel andere dingen die we niet meer willen missen (en dan beklagen we China) - maar het zijn de moderne maalstromen die onze steden omwoelden en omploegden, onze huizen vertimmerden en stroomlijnden en onze straten rechttrokken,..
en het tocht sindsdien zo vaak in onze zielen, we zitten wellicht voorgoed opgescheept met historische hunker.
Het valt misschien moeilijk te begrijpen aan de andere kant van de wereld: wat we willen, ligt vooral in de toekomst, maar dat betekent toch erg vaak het verleden.

Want.
Dat wat bij ons bleef, wat vertrouwd werd, wat uit vroeger komt, lijkt soms de kieren te kunnen dichten voor de moderne tocht die door ons lijf giert.
Iets traag willen we dan voor het teveel aan snelheid.
Iets oud uit het verleden, omdat er al zoveel nieuw en verandering is.
Iets dat niettemin natuur in zich heeft, voor een teveel aan het gebouwde, het gemaakte, het geplande, voor het teveel aan cultuur rondom ons.
Het altijd beweeglijke, wispelturige, onvoorspelbare, wilde water, al probeerde men het te temmen door het door een keurslijfrecht kanaal te loodsen.

Kijk, door dat kleine vlaagje wind rimpelt het water, zo ziet het er plots eeuwenoud en toch vol leven uit.

Kijk naar ons. Wij, wij raken zelfs al binnen een luttele tweehonderd jaar verknocht aan wat eigenlijk een modern idee van een moderne heerser was – een uitgegraven kanaal om nieuwe gebieden op een nieuwe manier te verbinden
– het maakt niet uit dat de werken nog uitgevoerd werden op een weinig moderne manier: dag in, dag uit, duizenden mensen en nog eens zoveel alaam. De idee was erg modern.
Was er toen protest, rumoer, verdriet te horen omdat dit kanaal, vlijmscherp als een mes, in het gezicht van de toenmalige oude stad kerfde? Wellicht niet erg veel, de moderniteit toonde zich toen nog vooral van één zijde: recht vooruit de toekomst in, met de richting van de nieuwe tijd mee. Dat er ook een andere zijde is aan de moderniteit, een onderstroom zeg maar, viel toen nog nauwelijks te beluisteren maar:
het is met het reikhalzen naar het nieuwe, dat er die andersoortige hunkering in ons ontstond: een verlangen naar het oude. Dat verlangen toont zich in de verzamelingen in onze musea, in de prijs van onze antiek, in de zorg van de steden om de oude stadskernen te renoveren, en in het plezier van haar bewoners op rommelmarkten en in curiosawinkeltjes.
Het is of we de moderniteit in ons ergens willen ‘vergoeden’ en op zoek zijn naar evenwicht.
En bewogen door twee tegengestelde stromen weifelen we: “Ik vind het jammer dat het gaat verdwijnen, maar van de andere kant is vernieuwing ook wel weer goed.”

Wat gebeurde er met ons en wat maakt ons anders?
Als je de bewoners van de heilige kloosters in het Oosten, enkele potten goedkope verf schenkt, overschilderen ze zonder aarzelen hun eeuwenoude fresco’s. En Chinezen, bijvoorbeeld, vermengen hun ingesleten rituelen, hun oeroude feesten en de geesten van hun voorouders vandaag blijkbaar met weinig moeite met de hoogst modernste voorwerpen in de supermodernste megawoningen.
Het valt te begrijpen dat veel van onze architecten intussen naar China uitweken - juist architecten hebben vaak nog veel modern gedachtegoed in het hoofd,

Want als je het diegenen vraagt die de steden bewonen, bezoeken en bewandelen verwondert het dat men zo vaak het liefst kleine eenvoudige dingen wil, laagte, met weinig spektakel en weinig prestige,
Een vlonder, een terrasje, een boot, een verse bakker, een visplek met een steiger, een picknickplaats, een stadstrand met een ijscotentje… een boom.
Wij, wij willen nog altijd wat de eerste stadsmensen al wilden: leven, vrijheid, liefde en geluk.
En altijd weer: ons verlangen naar water, wellicht ook om haar mooie wrinkelende krinkelende wanorderlijke beweging in de orde van een moderne stad. Om de verrassende tekening van de wind in het water. Om de poëzie hiervan.
Als het water maar dichtbij is: “breng het water omhoog of de stad omlaag…”

Want kijk,
de rimpeling in dat water, het oplichten van scherfjes zon, en voel ook, de koelte van de aarde die door het water trekt en de toeschouwer van op de brug verfrist. Maak een brug in een stad over het water en iedereen buigt zich over de reling. Om het water dichterbij te voelen. Om te ruiken. Om naar de wind te salueren die al naargelang zijn stemming, het water onder hem zachtjes streelt of hard slaat. Om te kijken.
Water, zegt men, is een geschenk voor een stad.

Want hoe ontstaan steden?
Vaak in de nabijheid van water.
Men zegt dat het in lang vervlogen tijden iets betekende als: daar, daar kunnen we ons vestigen, daar kunnen we drinken, koken, wassen; leven maken. (Al was het in dit land misschien eerder andersom: die zeldzamere plekken waar minder water was, daar kon misschien gewoond worden.)
Men zegt dat het in vroegere tijden iets betekende als: daar, daar zijn we veilig en beschermd, het water, weet je, zal een dam vormen tegen oprukkende legers en vijanden.
Men zegt dat soms een samenloop van riviertjes al genoeg is.
Men zegt.

Maar iedereen weet, het is iets oud, iets diep, iets oer dat zich in ons in beweging zet bij het ervaren van het water van op de waterkant.
En het is zo: hoe modern en postmodern we inmiddels ook zijn, al hebben we thuis i-pod, internet, en domotica, we wandelen nog altijd graag langs het water, we vleien ons nog altijd makkelijk neer in de buurt ervan, en dat we nog steeds zo lang over het wateroppervlak kunnen uitkijken of naar haar geluiden luisteren - en verder niets, dat moet iets niet-moderns in ons zijn dat we blijkbaar niet kwijtraken.
En we herhalen: water is een geschenk voor de stad.

Maar dat water, die rivier, dat meer, die beek die aan de oorsprong van zoveel steden ligt, is enkel de bron van die stad, want haar bedding en haar loop is op dat moment nog niet ontsloten.
Want hoe ontstaan steden echt?
Niet door een riviertje, niet eens door de hutten, de vuren, de stenen, de straten, de huizen en pleinen van daarna, maar door alle verhoudingen daartussen die door de mensen worden getrokken. Doorheen de tijd. Doorheen alle tijden.
Verhalen, vaak van mond tot mond overgeleverd zoals een kus of een beet.
Koordjes die worden geknoopt tussen een gouden leeuw, koepels van de kerken; de koele schaduw van tuinen, tussen krijgsheren, reigers, draken- en vissenkoppen, tussen het verwaarloosde gras dat intussen al lang een monument overwoekerde en een gids die het verhaal nog kent en die naast je loopt.
Koordjes tussen iemand die toen de tuin der lusten durfde te schilderen en het geluid van voetstappen nu, tussen het verdriet om Elisabeth vroeger - en om Paulina en Henriette, zij die uitblonken door liefdadigheid, een moedige luchtvaartpionier en een bange avondwandelaar die vanavond met zijn hond langs het donkere kanaal wandelt,…
en de stadszwervers die deze nacht nog altijd onderdak noden.
Een stad bestaat door herhaling en herinnering.
Een stad is altijd een opsomming.
Van plekken en buurten, van enkelingen en elftallen.

Je zou misschien alle water dat sinds de bron door een stad stroomt moeten samenbrengen om de stad die de stad geworden is behoorlijk te leren kennen en behoorlijk te leren liefhebben.
Een stad is een zee van water.
De waterputten, de riviertjes, de spaarbekkens en het grondwater, de binnenwateren, de reservoirs, de pompzwengels, de buizen, sluizen en fonteinen, de overloopputten, de wastafels en waterkranen, de badkuipen en de druppels op een paraplu van iemand die zich haast.

Want luister.
Het zijn de windvlagen van verhalen van de bewoners en de bewandelaars die de steden doen rimpelen en hen plots eeuwenoud en vol leven doen lijken. Het zijn de mensen hun dromen, hun voorkeuren en hun angsten, hun liefdes en woedes; hun poëzie en hun keuze die een stad tot stad maken.
En het zijn nooit de koningen, de keizers of de hertogen geweest, en helaas ook zelden de stadsplanners of de architecten, maar diegenen die de steden bewonen, bezoeken en bewandelen, die, ondanks alle moderniteit, kunnen weten – als ze er oog voor hebben - dat elke stad een heilige stad is.
En je dus enige schroom mag hebben.
Maar het zijn ook zij die kunnen weten – als ze er oog voor hebben: dat een stad het gewoon is om alle tijden in zich te dragen en verandering in zich op te nemen,
Een stad moet, net als de wandelaar, alle tijden in zich hebben, genoeg verleden, heel veel heden, maar ook genoeg toekomst.
Een stad is altijd een opsomming, van tijden, van stijlen, van keuzes.
En het kan best, ik zie het zo voor mij: een voormoderne stad, met een modern kanaal, waar een postmoderne kabelliftje overscheert.
Het zal het water doen rimpelen.
Voor diegenen die de stad bewonen, bezoeken en bewandelen, hoop je maar: dat we genoeg tijd zullen nemen om bij het water te verwijlen – en verder niets.

(Lezing voor de inwoners van ’s Hertogenbosch)

‘Na dit betoog is het nutteloos om nog vast te stellen of Zenobia moet gerekend moet worden tot de gelukkige steden of tot de ongelukkige. Het heeft geen zin de steden in te delen in deze twee soorten, maar wel in twee andere: steden die door de jaren en de veranderde tijden heen nog steeds vorm blijven geven aan de verlangens, en steden waarin de verlangens erin slagen de stad weg te vagen of er zelf door weggevaagd worden.’
Uit Italo Calvino: De onzichtbare steden