Vakantiebrief
Cécile,
Het is raar, een reis maken in de plaats van iemand anders. Ik heb dan wel mijn eigen kleren meegebracht en het is mijn neus die roodverbrand is en waar ik ’s avonds vliesjes afpulk, maar de meter strand waarop ik ’s morgens mijn handdoek openspreid, het is feitelijk de uwe, Cécile. Gij hebt die meter waarop ik lig met de supermarkttombola gewonnen, met het nummer 260585. Ge hebt dat nummer een hele dag herhaald toen ge die brief over uw prijs had gekregen. Weet ge dat nog, ge bleef dat getal maar uitspreken terwijl ge al zittend mijn zakdoeken streek, de sudoku invulde in de krant, terwijl ge de wortels voor het middageten schilde. Steeds kwader, driftiger klonk het, alsof het niet het winnend nummer was dat ge uitsprak, maar het aantal dagelijkse pijnscheuten in uw gewrichten die u het zelf op reis gaan onmogelijk maken.
Pas ’s nachts toen ge eindelijk op uwen helft lag te zwijgen, besefte ik dat dat onzen trouwdatum is, dat getal, als ge er tenminste een beetje nen draai aan geeft. Als ge de twee laatste getallen omdraait en het eerste cijfer weglaat, is het feitelijk zes mei 58, dat tombolanummer. Dat ze dat niet gezien heeft, dacht ik terwijl ge sliep en ik moest mij ferm inhouden om u niet wakker te maken, maar ik heb het toch niet gedaan. Dus schrijf ik het u nu, waarvoor lange reizen allemaal niet goed zijn.
De mensen lopen hier een godganse dag met camera’s en fototoestellen over het strand, door de winkelstraten. Zij maken foto’s van elkaar op waterski’s, op overvolle terrassen en van hun jong dat ijslolly’s laat vallen in de branding. Zij kijken spottend naar de wegwerpkodak die ik ’s avonds in het hotelrestaurant naast mijn bord zet. Zij staren ernaar en zij verstaan het niet, Cil. Zij snappen het niet, dat ik elke avond van elke schotel die ik hier eet een foto neem. Omdat ik weet dat ge zodra ik weer thuis tegenover u aan onze kleine keukentafel zit, ge zult vragen wat ik hier allemaal gegeten heb. Omdat ge het zult willen weten, alle soorten groenten en vlees die ik hier heb geproefd, alle desserten en omdat ik dat allemaal niet kan onthouden, daarom fotografeer ik het. Dan kunt ge het zelf met uw eigen ogen zien als ge het rolleke hebt laten ontwikkelen. Ik zie u al in die fotowinkel staan en al die foto’s vol eten op die toog voor u uitspreiden. Paëlla, brede spaghetti met van die grote garnalen, roomijs met vers fruit, vanilleflan.
Er is totnogtoe maar één foto bij van iets anders dan eten. Gisteravond heb ik een paar vrouwenvoeten in teenslippers getrokken. Oude voeten vol eeltige knobbels, zoals gij er met de jaren ook hebt gekregen.
Ik keek daarnaar en vroeg mij af wanneer uw knobbels op uw tenen zijn verschenen. En ik had gewild dat daar een film van bestond, over het ouder worden van uw voeten. Een band die ik dan helemaal kon terugspoelen naar het moment dat ze nog de jonge roze meisjesvoeten waren die naast de mijne in chique schoenen naar het altaar zijn gelopen in ’58.
En toen ik wat later in één van de prullenwinkeltjes hier op de dijk voor een schap met nagellak stond, zocht ik bijna zonder er bij na te denken naar de kleuren die gij gebruikte vroeger. De weemoedig roze glanslak die ge opdeed voor de jaarmarkt in de lente en de vrolijke rode waarmee ge uw nagels lakte in de zomer, als wij met de kinderen in de tuin van ons moe gingen eten. En gij weet dat niet, gij weet niet dat ik toen ge uw rechtervoet niet meer kon bewegen en ge ophield uw teennagels te verzorgen, ik die flesjes nagellak naar de garage heb gebracht. Ik heb ze op het schap gezet naast de white spirit en de boenwas en als ik thuis ben en gij zit boven in de living weer uren voor u uit te staren, draai ik ze met momenten open, die flesjes, laat een druppel op mijn werkbank vallen en veeg hem weer weg.
En ge zult mij wel nen ouwen dwaas vinden, maar ik heb ze gisteren uit dat rek gezocht in dat winkeltje hier op de dijk. Ik heb zo’n roos en zo’n rood flesje nagellak gekocht en ik ben ermee naar het strand gewandeld. En ik heb gewacht tot alle andere toeristen terug naar hun hotel waren en toen ik daar nog helemaal alleen was, heb ik die flesjes leeggegoten. Ik weet niet precies waarom ik dat deed. Er bleef een rode en een roze kring achter in het zand, alsof daar duizend kinderen tegelijk hun waterlolly hadden laten vallen.
Misschien wordt ge nu kwaad als ge dit leest. Ik weet wel dat ge wilt dat ik u schrijf over de vliegtuigreis en over de hotelkamer, over de andere gasten, over de tocht met de ferry en over de gratis danscursus waarover ge gelezen hebt in de brochure. Gij wilt een vakantiebrief die ge door kunt geven aan uw vriendinnen. Gij wilt geen rare brief die ge onder uw placemat moet wegmoffelen omdat ge hem niet durft laten lezen aan Irène en Lisette als ge samen een wafel gaat eten. Gij wilt weten welk weer het hier is. Gij zult het zelf gaan opzoeken in de gazet omdat ik het hier niet schrijf en gij zult u moeten inhouden om het weerbericht niet elke dag uit de zeven kranten te knippen die in het café liggen waar ge ’s namiddags uw koffie gaat drinken.
Maar misschien kunt ge aan ons Ilse vragen om ze beneden in de garage te gaan halen, uw oude flesjes nagellak. Misschien zou ons Ilse ze nog eens kunnen lakken, uw tenen, tenminste die van de voet die ge nog kunt bewegen. Misschien kunt ge uw zilveren sandalen aandoen en mij met zo’n gelakte voet van het vliegveld komen halen samen met ons Ilse.
uw Henri
© Ruth Lasters



July 3rd, 2008 at 4:30 pm
Mooi.
‘Schap’, ‘living’, ‘ge’… altijd aangenaam om in mijn eigen taal te lezen, zonder overdaad aan techniek en intellectuele gewichtdoenerij.
August 21st, 2008 at 3:37 pm
Een tedere brief.
January 9th, 2009 at 11:42 pm
Pijnlijk mooi…