Over Brugge

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

(Een brief die een tijdje terug door de regeringscrisis net niet in de krant De Morgen werd gepubliceerd.)

Beste Lieven Dejager,

In antwoord op uw brief die in de krant De Morgen van 21/11 werd gepubliceerd, getiteld: ‘Brugge die schone en gastvrije’, een tekst als reactie op een interview met mij de week vroeger in ‘Uitgelezen’. (DM 14/11).

Het troost u misschien dat in het net verschenen boek ‘Eindelijk buiten’ de naam van uw stad niet één keer wordt genoemd. Hoe komt het dan dat ik in een interview naar aanleiding van dat boek Brugge beledigde, en dat drie keer op rij? (Ik geef toe dat ik al tijdens het gesprek de haan hoorde kraaien.)
Ik zou kunnen antwoorden dat een interview nu eenmaal een momentopname van een levendig gesprek is, in tegenstelling tot een bedachtzaam geconstrueerd boek waarin je wikt en weegt, schrijft en vooral schrapt.
Ik zou kunnen uitleggen dat de metafoor een prachtig stijlmiddel is om een gedachte diepgaander en visueler te verwoorden, maar dat het zijn eigen vallen heeft, zeker als je op een bepaald ogenblik in gesprek steden bij naam gaat noemen.
Ik zou ook kunnen bekennen dat de cabaretière in mij in een wervelend gesprek het soms van de filosofe overneemt en daardoor mogelijk iets te kort door de bocht gaat, en zelfs bij een goede interviewer is de krantenweergave nog eens een verkorte weergave van het gesprek.
Niettemin.
Allereerst wat betreft de gastvrijheid van uw stad.
Als de grootmoedige uitnodiging mij rond te leiden meer is dan cynisme of een stijlfiguur, neem ik de uitnodiging graag aan. Ik beloof dat ik met open blik door uw stad zal struinen. Zo kunnen we alvast wat misverstanden opruimen rond de gastvrijheid van onze beider steden. Ons besluit zal wellicht zijn dat zowel uw stad als de mijne gastvrijer is voor een Zuidkoreaanse toerist dan voor een Tsjetsjeense vluchteling.
Maar laat mij vandaag al iets zeggen over de echtheid/onechtheid van Brugge.
Ik kwam na het Nederlandse Madurodam niet toevallig op het Belgische Brugge toen ik zei dat ik in mijn boek niet over nepsteden wilde schrijven. En als u schrijft: ‘Als Brugge Madurodam is, (trouwens een verscherpte weergave van wat ik zei) dan is Firenze het ook.’, dan ben ik het daar in de lijn van dat gesprek mee eens. Als ik op dat ogenblik Italiaanse steden had genoemd, was een stad als Napels wellicht mijn voorbeeld geweest.
Het ging mij echter niet om een zogenaamde bekrompenheid, niet eens om de duizenden toeristen en maar indirect om het gebrek aan gedurfde architectuur in Brugge. De context van die uitspraak was dat wanneer ik als filosoof in dit boek verkoos te oefenen in een soort wandelen dat geschikt zou zijn voor de 21ste eeuw, ik evengoed in Mechelen, Utrecht, Maastricht of Hasselt zou kunnen wandelen, maar dat een stad als Brugge weinig prangende vragen oproept. Ik schreef over de jachtige pendelaars en het banale boodschappen doen, over het alledaagse zigzaggen tussen zowel schoonheid als lelijkheid en bovenal: over de mogelijkheid om poëzie te ontwaren in welke moderne stad dan ook, zoals Walter Benjamin bijvoorbeeld in zijn mooie boekje ‘Eénrichtingstraat’ uit 1928: teksten op gevels, wegwijzers, uithangborden vormen evengoed het grondplan van zijn filosofie. “Coiffeur voor kieskeurige Dames, Pas op: opstapje!, Duitsers, drinkt Duits bier!, Verboden aan te plakken!
We moeten vooral leren overal poëzie te ontwaren, ook in publiciteit en in lichtreclame.
‘Wat maakt uiteindelijk reclame zo superieur aan de kritiek? Niet wat de lopende, rode lichtreclame zegt – de vuurplas die haar op het asfalt weerspiegelt.’ (Benjamin)
Neem nu die reclame en een stad als Brugge. Een stad met gemeentelijke verordeningen waarin men om ‘dwingende redenen’, omwille van de ‘fraaiheid van het stedenschoon’, de ‘rust en veiligheid’ ‘en dergelijke’, zo streng waakt over elk straatbeeld en elk uitzicht dat alle publiciteit, ‘zowel tijdelijke als niet tijdelijke’ verboden is. Zoiets maakt mij opstandig, dat is zo. GEEN reclame, lees ik in uw stadswetten, NIET op gebouwen, niet eens op blinde zijgevels, NIET op losstaande constructies, noch op zonneschermen, markiezen of windschermen. Wie toch nog hoopt creatief te zijn, raakt ontmoedigd door de verdere opsomming: ook NIET op ‘lantaarnen’, ‘buitenklokken’, ‘en dergelijke’, zelfs niet op ‘niet zelfbewegende voertuigen’. (Op ‘auto-mobielen’ wel, op paardenkoetsen niet? Mag een wandelende sandwichman wel of hoort die bij het verboden ‘en dergelijke’?)
Dit alles geeft me de indruk dat de enige publiciteit die men in uw stad mag maken, reclame is voor de stad zelf. In een essay in mijn boek klaag ik de alomtegenwoordigheid van reclame aan, zeg maar, een neveneffect van een ongebreideld kapitalisme, maar een resolute aanpak zoals in Brugge doet mij ook huiveren en doet me aan communisme denken, al is de beweegreden wellicht ook vooral winst.
En bij uitbreiding: ik vind dat mensen eveneens het recht moeten hebben om zich te vergissen in de kleur van hun huisgevel.
En bij uitbreiding…
Eindelijk buiten bezingt de wandelaar en de bewoner van de postmoderne stad, en bovenal: zijn vrijheid. Zo huiver ik om stadsplanners en stadsbestuurders die volgens mij niet genoeg van het gewone, veranderlijke, wirwarrige stadsleven houden en te veel ‘om dwingende redenen’ verordenen en verbieden en allereerst de bewoner en de wandelaar vergeten.
Zó kwamen we in dat gesprek bij Brugge uit, en wie ik niet wilde beledigen, zijn nu net de bewoners die ondanks al die dwingende redenen ervoor zorgen dat Brugge nog geen Madurodam is en toch nog een beweeglijk, rommelig en alledaags leven heeft. De Bruggelingen moeten koppig en moedig zijn, meen ik, en erg van hun stad houden, dat ze nog niet tureluurs werden van de vele verordeningen, geboden en verboden en de stad al lang ontvluchtten.
Ik had dan ook liever gehad dat u enkele zinnen uit het boek had geciteerd in plaats van uit het interview. Deze bijvoorbeeld. ‘Maar zelfs in de mathematisch getekende buitenwijken zie je altijd weer mensen die uiteindelijk hun eigen paden banen, stiekem sluipwegen nemen, gezwind hoeken afsnijden, niet op de mooi aangelegde trottoirs blijven en opnieuw de straat opeisen. Goed zo! Een wandelaar is nog het minst gebonden aan verboden en geboden, aan stadsplanning en urbanisatie, aan wetten en reglementen, en loopt voornamelijk zijn eigen weg. Daarom is de wandelaar mij het liefst.’ Zéker in Brugge, zou ik zeggen.

Met een vriendelijke groet,
Ann Meskens

Reageer