De ziekte zelf

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

Vacare lectioni. Even alles laten vallen, alles vergeten. Even in titanische tegenstrijd met alle hectiek een boek lezen. ‘Zich wijden aan lezen’, waarschijnlijk gebruik ik de uitdrukking wereldser dan ze in de kloosterlijke traditie van haar ontstaan bedoeld was. Toch voel ik dezelfde nood, de nood aan enkele uren tijdloosheid om even mezelf te vergeten. Ik heb geen tijd meer om te lezen.

Deels is het te wijten aan het vele werk dat ik heb, maar het zal ook wel mijn eigen schuld zijn. Vaak zit ik wanhopig te denken aan al die stapels boeken die nog op mij liggen te wachten. Of te piekeren over welk boek ik het eerst moet gaan lezen. Ik kom geen letter verder, blijf rondspartelen in versleten verhalen. En de tijd piekert niet, voor hem is er ook maar een keuze. De volgende seconde. De volgende dag. Zo zal ik, diem perdidi, alweer een dag verloren hebben.

‘Dood, sodemieter op, ik moet nog te veel schrijven’, zo blokletterde Knack enkele weken geleden een interview met Jeroen Brouwers. Ik denk dat het later ook zo zal zijn, dat ik schroomvallig zal vragen: ‘Noli me tangere, laat me nog even met rust, ik moet nog te veel lezen.’ Maar wat moet ik nog lezen? Om over het herlezen nog te zwijgen. Ijverig maak ik met een vulpotlood aantekeningen in mijn boeken, leg ik verbanden, stel ik onbeantwoorde vragen. Een enkele keer schrijf ik schoolmeesterig ‘Goed!’ in de marge. Wat wil ik ermee bereiken, welk spoor laat ik na?

‘Het is geen rotzooi geweest. Ik heb mijn best gedaan.’, zegt Brouwers in datzelfde interview over zijn oeuvre. Het deed me aan Ovidius denken, die gelijkaardig – zij het iets plechtstatiger – zijn Metamorfosen afsloot. ‘Ik heb een werk voltooid dat nooit door ’s hemels ongenade of vuur vernield kan worden. (…) Ik zal door alle eeuwen heen – als dichterswoorden waarheid zingen – roemvol blijven leven.’ Sporen nalaten, daar gaat het om.

Hij leeft nog, ik lees hem, ik koester hem. Ook de dichter Toon Tellegen doet dat, wanneer hij een gedicht schrijft over Ovidius, ‘met zijn eigenaardige zoete pen’. Over Ovidius die in een brief schrijft: ‘Er is geen plaats in mij voor nog meer wonden.’ Erkenning is een gevoel waarvoor de dichter pijn wil lijden, pijn moet lijden. Het doet zijn borst ‘tot slagschiphoogte’ zwellen.

Ondertussen schrijf ik over poëzie, kauw ik op elk woord om andere woorden te beschrijven. Waarom ga ik niet wat van mezelf schrijven? Waarom ga ik niet lezen, desnoods? Lusteloos beeld ik me in dat ik geen tijd heb, tien minuten al blader ik in de grote Komrijbloemlezing, zonder iets te lezen, behalve wat ‘laatste verzen’. Ik moet toegeven dat ik de voorbije twee weken enkel aan wat poëzie ben toegekomen.

In Londen kocht ik het boek ‘The Nation’s Favourite Poems’, met Engelands populairste gedichten volgens een BBC-boekenprogramma. Vooral de ellenlange episch-romantische dichtstukken blijven door de Britten in het hart gedragen. ‘Er waren weinig stemmen voor levende dichters, ondanks de huidige poetry boom.’, merkt ook Griff Rhys Jones, die de inleiding op het boek schreef. De Engelse historische poëzie is verbazend rationeel, met flegma afgedreund.

Het Nederlandse equivalent van het populairstegedichtenboek, de bundel ‘Het mooiste gedicht’, laat duidelijk meer plaats voor passie. Het is een verzameling van ‘ontroerende eenvoud na al die overspannen pomperijen’, zoals Jan Wolkers in dit boek zijn ontdekking van de Nederlandse poëzie beschrijft. Ze is broos, weifelend, zoals poëzie zijn moet.

Poëzie in onze taal is een oncontroleerbare daad. Of neen, geen daad, het is een ondergaan. ‘Literatuur is schaamte overwonnen door stijl.’, schreef de Nederlander Gerrit Krol. Wat zou poëzie dan zijn voor hem? Schaamte met stijl aan het papier toevertrouwd. Plato vond poëzie een beschamende daad omdat ze geen enkele techniek vereist. Hij vond de poëzie een goddelijke inspiratie, een magnetische kracht. ‘De geest begint te dansen en de woorden komen vanzelf. (…) Het is een geschenk van god.’ Plato heeft gelijk, al zal ik hem dat slechts schoorvoetend nageven. Ik kon er niets aan doen, denk ik telkens ik een gedicht schrijf.
Al die definities, die zelf ook poëzie zijn. ‘Een onopgeloste pubergril’, noemt Verhulst het ‘pennen van poëempjes’. Voor Remco Campert is een gedicht ‘een bevende greep in letters’. Een ziekte zelfs, misschien, zoals hij schreef in dat prachtige gedicht voor Kees Fens, ‘de ziekte zelf geworden / een al al gedicht’. Al die juiste omschrijvingen. Er is zelfs geen diagnose. Poëzie moet je uitzieken. Want er zijn geen regels, er is enkel tussen de regels.