Le jardin de mon père
![]()
Er is te veel in de wereld. Zeker op een gewone dag midden de week. Je bent al blij dat het kind ’s ochtends aangekleed raakt, dat het een boterhammetje eet, en dat je hem, net op tijd, in de stadsdrukte aan school afzet. Dagdag. Tot vanavond. Daarna ben je opnieuw blij; dat er niet nog meer werk op je bureau ligt, dat je doorheen de dag niet nog vaker wordt opgebeld, en dat je het uiteindelijk nog erg goed redt, die dag. Je moet trouwens maar aan Birma denken of elke verzuchting van jezelf wordt onmiddellijk futiel.
Dan is hij er weer. Dagdag. Het is herfst, heeft de juffrouw op school gezegd, en nu wil hij als avondmaal kastanjes eten. Kanstangjers, zo klinkt het ernstig in de taal van een vierjarige jongen. Je gelooft bijna dat er naast de kastanjes die je jouw hele leven al kent, ook zoiets als kanstangjers zou bestaan, een delicatesse, beter dan welke culinaire verassing ook. Kastanjes rapen, dat is het fijnst, leg ik hem uit.
Niet eens tijdens de heetste, drukkendste, vuilste zomerdag verlang ik naar het platteland, maar nu peil ik de lucht en schat in hoeveel tijd we nog hebben voor het donker wordt. Ik gris een warme sjaal voor hem uit de kast, doe hem zijn rubberen laarzen aan, neem gehaast mijn autosleutels en zeg hem, alsof ik zoiets elke dag zeg: kom, we gaan kastanjes rapen.
Dan rij ik naar de tuin van mijn vader. De enige tamme kastanjelaars die ik ken staat daar, ik leerde het al lang af om ruimte te schoppen in afgevallen bladeren, te turen naar stekelige bolsters of naar de blinkende bruine zaden op zoek te gaan. Nu wil ik echter niets liever dan dat.
Pas als ik daar uit de auto stap, weet ook ik dat het intussen herfst werd. Zelfs na zo veel jaren ken ik van deze tuin nog alle seizoenen, alle geluiden en alle geuren. De schikking veranderde wat doorheen de tijd, maar er blijft heel veel toen, en het lijkt nog steeds diezelfde herfst die de tuin nu overvalt.
Het is een goed notenjaar, zegt mijn vader en hij neemt een mand mee naar buiten: voor de hazelnoten, voor de okkernoten, en voor de kastanjes, jawel.
Het is bijna avond nu, het gras is al vochtig en in de lucht sloop reeds nachtkoelte, maar de oude kastanjelaars zijn het mooist in dit late herfstlicht, hun takken pentekenen zich boven ons in het zwerk. Dat kastanjelaars met gemak duizend jaar kunnen worden, is een troostende gedachte, ook als ik aan Birma denk.
Maar vooralsnog bestaat er onder de bescherming van de bomen in deze uithoek van de tuin slechts afgevallen bladeren en een kruidige geur die alle vroegere herfsten in herinnering brengt. En in die vreemd-vertrouwde stilte die zich op het platteland ergens tussen dag en nacht schuilhoudt, klinkt soms zacht geritsel als we de bladeren even opzij vegen, en meer dan eens blij geroep.


