Mijn postmoderne dromen

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

De keizerbiograaf Suetonius beschrijft een zeldzaam moment van twijfel bij Julius Caesar. In Spanje zag Caesar, zelf nog een politieke nieuweling, een standbeeld van de jonge Alexander de Grote. Deze had als twintiger de wereld aan zijn voeten, Caesar had nog niets. Enkel dromen.

Ging hij toen zitten in de schaduw van zijn held? Dacht hij na over zijn eigen toekomst, nadat hij het standbeeld toezuchtte vol onzekerheid en verlangen? Zo zou hij willen worden, maar dat was veel te hoog gegrepen. Hoogstens het voetstuk zou hij proberen te zijn, maar dat was toch al iets. Het moet iets geruststellends hebben gehad, die onbereikbaarheid.

Bijna tweeduizend jaar later fotografeer ik de schrijver Adriaan van Dis. Hij poseert in de Jardin de Luxembourg onder het standbeeld van Gustave Flaubert, zijn held. Statig, zelfs een beetje pompeus staat hij tegen de zuil, die de onbereikbare buste draagt. Dromen bestaan nog steeds, helden ook, gelukkig. Al is het moeilijk dat laatste nog toe te geven, in een tijd waarin alles nu en zelf gebeurt. Onbereikbaarheid is verdwenen, eeuwigheid ook. Het verleden is slechts de god van bestofte krankzinnigen. ‘Ik heb een standbeeld opgericht, duurzamer dan brons.’ Zo besluit Horatius zijn eerste Oden. Ik vraag me af of dat nu nog kan. De standbeelden, die ooit helden voor het leven waren, zijn nu slechts tijdelijke wassen beelden.

Toch zoek ik een standbeeld om uitgeput bij neer te zijgen, om verplicht naar op te kijken. Een standbeeld dat niet vervaagt, zoals al die boekenhelden. Een beeld waarvan ik weet dat ik het nooit zal overstijgen, waarvan ik weet dat dat ook niet moet. Deze tijd kent geen meesters en geen leerlingen meer. En geen verhalen.

Want was dat niet de grote kritiek op onze tijd? Dar er geen verhalen meer zijn, geen dromen, geen helden. Ik weet het niet, het enige wat ik van ons postmodernisme weet is dat niemand een definitie heeft voor het naoorlogse gebrek aan alles. Er is enkel een kakofonie van stemmen, die alle over niets praten, maar allemaal over iets anders. Geen verhalen dus, of juist wel?

‘Ieder mens is een verhalenverteller. Hij leeft omringd door zijn eigen verhalen en de verhalen van anderen, hij ziet alles wat hij meemaakt in het licht van die verhalen en hij probeert zijn leven te leven alsof hij het vertelde. Maar je moet kiezen of delen: leven of verhalen vertellen.’ Deze vlijmscherpe analyse schreef Sartre in 1976. Voor Castor, zoals alles wat hij schreef. Waarschijnlijk schreef hij het niet voor 2007, nu van verhalen wordt gezegd dat ze niet meer zouden bestaan. Is het niet omgekeerd? Dat er enkel nog verhalen zijn en het leven verdwijnt. Dat het enkel woorden zijn, waarmee we ons aan het nu kunnen onttrekken.

‘In de eerste plaats heb ik het gevoel dat het zuiver een kwestie van terminologie is.’ Zo zal het wel zijn, zoals Sartre schrijft. Alles is terminologie zonder betekenis. Misschien daarom dat de meeste jongeren bang zijn van lezen. Woorden zijn gevaarlijk omdat ieder mens er zijn betekenis kan aan geven, lezen is onzeker zijn. Schrijven ook. ‘Het is mijn beroep onzeker te zijn en mijn onzekerheid te verraden.’, schrijft Konrád. De mens is al onzeker genoeg. Toch zijn woorden het enige wat we hebben.

En dromen, ik zei het al enkele keren. ‘Het lied zegt, ik kan het nog net verstaan / dat het staat te sterven van de dromen.’, schrijft Hugo Claus in een gedicht. Zo voel ik me, stervend van de dromen. Alleen weet ik niet wat ik droom, misschien is het mijn droom dat te weten. Waarschijnlijk zal ik later, zoals Monsieur Roquentin in het boek van Sartre teleurgesteld denken: ‘Nu ja, ik had me altijd verbeeld dat mijn leven op sommige momenten iets unieks, iets waardevols kon worden.’

Het is zoals met sneeuw, ik kan enkel dromen, niet voorspellen. ‘Natuurlijk, sneeuw was iets wat je kon verwachten. Maar voorspellen? Dat was bijna absurd. (…) Meneer Spitzweg verwacht niets meer. Over enkele dagen gaat het sneeuwen.’ Deze zinnen komen uit een prachtig boek van Philippe Delerm, ‘De hele zondag regen’. Er bestaat, denk ik, geen treurigere titel. De laatste zin is een gedicht van Francis Jammes. Het eindigt met ‘Laissez-moi tranquille,/ ce n’est rien.’

Straks blijft er niets meer over. Ik durf niet meer verder dromen dan morgen, ik voel enkel adoratie branden. Voor Zon, Bach, Kant en al die anderen. Maar Brahman ben ik niet, al lang niet meer. Ik sta voor een jaar van kiezen en van reeds lang gemaakte keuzes herzien. Volgend jaar word ik de wijde wereld in gestuurd, zoals iedereen me dat talloze keren zal uitleggen. Niet dat ik bang ben voor de jagers, ik ben enkel bang om niet meer te dromen. Verder blijf ik gewoon zoeken, met een rusteloos verlangen naar een lang verlangde rust.

4 Reacties to “Mijn postmoderne dromen”

  1. Wouter7 zegt:

    Caesar die twijfelt aan een standbeeld, dat is een heel mooi beeld!

    Of de bochten van Sartre daar veel kunnen aan veranderen, dat betwijfel ik wel. (Vergeef me de beeldenstorm.)

    Bewondering zoekt, verwondering vindt? Als mensen ver van ons af bestaan in tijd of ruimte (Zon, Bach, Kant) kunnen we ze niet gaan opzoeken. En dan worden bewondering en verwondering naadloos één…

  2. Bram Demulder zegt:

    Je hebt gelijk, we kunnen ze niet gaan opzoeken, waardoor geschiedenis een gekke semi-religie wordt. Maar net zoals religie blijkt historie nodig te zijn, enkel heden zou ons angstig maken. Sartre schrijft dit in hetzelfde boek (De Walging): “Angstig keek ik om me heen: heden, alleen maar heden.”
    Zon, Bach en Kant, ze zijn te ver om ze op te zoeken, maar hebben we ze niet nodig om “haar vereelte handen” te kunnen adoreren? “Verwondering vindt”, schrijf je. Enerzijds wel, maar Plato schreef dat filosoferen begint met verwondering, ook Aristoteles schreef iets dergelijks. En filosoferen, is dat niet zoeken? Is dat niet soms ‘niet willen vinden’? Verwondering zoekt, bewondering stopt even met zoeken, om daarna verwonderd verder te gaan.

    Bedankt voor je reactie Wouter7, je geeft te denken. Sartre deed dit ook, blijkbaar wordt hem dat niet altijd in dank afgenomen.

  3. Dominique zegt:

    Zoals steeds blijf je verrassen…
    Vooral de laatste alinea is snijdend, zorgwekkend en typerend.
    Maak je echter geen zorgen, stoppen met dromen, verwonderen of filosoferen (noem het hoe je wil) zal je nooit doen.

  4. Wouter7 zegt:

    Dag Bram,

    Bedankt aan jou om mijn luttele stuurlui-aan-walse-woorden (daarom niet minder gemeend) ernstig te nemen.

    Ik volg je helemaal in je vernieuwde omschrijving: “Verwondering zoekt, bewondering stopt even[…]”. Het brengt de constellatie tot zijn recht: bewondering is slechts een kortstondige vleeswording van iets veel vager/groter/mooier, de verwondering zelf. En dat laatste heeft verdacht veel weg van ‘gezonde nieuwsgierigheid’ en ‘verbeelding’ (in de betekenis die Einstein eraan gaf): een wonderlijk oerbegrip.

    En opnieuw, vergeef me de beeldenstorm. Ik heb mijn aloude zwak voor filosofie in de loop van de jaren verruild voor poëzie, en me dunkt is er (wat mij betreft) geen weg terug.

    Maar filosofie huist ongetwijfeld ook verwondering, als je maar dicht genoeg blijft kijken… zoals je hierboven doet.

Reageer