Mijn Waalse vriend en ik
Winter of zomer, vraagt hij mij. We zitten op een verwarmd buitenterras hartje Brussel. Winter én zomer, zeg ik, en herfst en lente, ik wil het allemaal. Hij weet op voorhand dat ik op een latere vraag in het gesprek België zal antwoorden, en ik zeg hem dan ook: Vlaanderen én Wallonië én Brussel en laat me Duitstalig België niet vergeten omdat het van die kant zo dikwijls stil blijft.
Het is maar een toevallige constructie, schokschoudert hij. België, verbeter ik, is een gelukkig toeval. En zoals bij elk land lijkt het me beter de toevalligheid te koesteren dan welke andere oorsprong ook. Filosofische argumenten tellen deze dagen niet, grinnikt hij nu. Ja, verzucht ik, spijtig.
We kennen de politieke en intellectuele argumenten. Ik kijk al eens naar Mise au point, hij naar De Zevende Dag. We zouden allebei wel ondertiteling willen, want we beheersen de andere landstaal helaas niet zo goed. Hij klaagt over de Walen die op een Vlaamse vraag niet met rationele argumenten maar enkel vanuit het hart reageren en dat ze in een ouderwetse taaltje het gesprek voortzetten. Ik klaag integendeel over de berekende argumenten van mijn taalgenoten, en dat ze altijd praten over wat we zouden kunnen winnen en nooit over wat we zullen kwijtraken.
Ja, merkt hij op, zoals bij een echtscheiding. Je kijkt tevoren enkel naar wat je niet meer hebt, en wat je bij een scheiding kan winnen. Als het achter de rug is, kijk je om en zie je pas wat er nog was, het is soms verbazend veel. Er konden scheidingen voorkomen worden, als men dat eerder besefte. De zijne bijvoorbeeld, besluit hij.
Maar vandaag praten we over België en hoe het zover is kunnen komen. De nakende herfst maakt ons niet vrolijker: neerdwarrelende bladeren, wegvluchtende trekvogels, de dagen die korten. Het najaar roept vooral verlies op. En al zit je met kacheltjes op een buitenterras, je weet: noch verzet, noch gevloek kunnen hier helpen, de natuur gaat zijn gang.
Misschien moest men de populaire uitzendingen ondertitelen, zeggen we strijdbaar. Zullen we naar vrt en rtbf schrijven, het is eenzelfde adres? Hij somt programma’s op waar ik nog nooit van hoorde. De Kampioenen en Man bijt Hond zeggen hem nauwelijks iets. Toch is er veel dat nog meespeelt, voor hem en voor mij, voor ons mag het nog 100 dagen duren. En we vragen ons de verdere namiddag verbeten af: welke woorden, in welke taal dan ook, hebben we nodig om de poëtische kracht van ons land te verdedigen, het/la BELGIËQUE?
In de trein, terug onderweg naar Vlaanderen, en vooralsnog zonder grensposten, oefen ik me in gedachten om poëtische brieven aan Waalse en Vlaamse politici te schrijven. Over het herfstgevoel bijvoorbeeld dat zich al voor de zomer in mij nestelde telkens zij spraken over een scheiding. Over het gevaar dat we de poëzie van ons land dreigen kwijt te raken, en dat dit bij een terugblik erg veel zou kunnen zijn. Laat me hen hier alvast waarschuwen: vloeken kan ik vlot in beide talen. En als het moet zelfs in het Duits.