Lezerskwalen

Cardizem For Sale Augmentin No Prescription Buy Plan B No Prescription Buy Online Imitrex Buy Lisinopril Online Lotensin For Sale Hgh No Prescription Buy Phentrimine No Prescription Buy Online Acticin Buy Lopressor Online Ayurslim For Sale Naprosyn No Prescription Buy Azulfidine No Prescription Buy Online Diarex Buy Prograf Online Sumycin For Sale Avodart No Prescription Buy Actos No Prescription Buy Online Glucotrol Buy Xeloda Online Lopid For Sale Lisinopril No Prescription Buy Parlodel No Prescription Buy Online V-gel Buy Prevacid Online

Waar moet ik beginnen? Ik probeer me alle verhalen te herinneren die ik het laatste jaar heb gelezen. Het lukt me niet. Ik laat mijn ogen langs de boeken in mijn boekenkast glijden. Mijn hoofd in die ongemakkelijke positie gekeerd, waarmee iedereen in een boekenwinkel te maken krijgt. Het is een bescheiden collectie, ik moet nog zoveel lezen. Toch ben ik vastbesloten u over boeken te gaan vertellen. Ik zal u niet doceren, gewoon verhalen vertellen. Verhalen over verhalen. Maar waar moet ik beginnen?

Ik weet nog dat ik Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong een goed boek vond, vooral qua stijl en gevoel. Mijn oog valt er nu op. Terwijl ik het las dacht ik aan het woord ‘dromerig’, dat weet ik nog. Ook dat het een afgesleten kaft had, alsof de hele wereld het al gelezen had. Maar waar ging het over? Ik zou het u willen vertellen, het was een mooi verhaal. Maar dit begin loopt dood. Ik moet het eens herlezen, bewaar het voor later.

En zo blijf ik maar boeken vergeten. Slechts adjectieven blijven over, woorden die ik ook in recensies had kunnen vinden. Zeventien jaren slechts en ik voel me dementer bij ieder boek dat ik lees. Toch moet ik er nog zoveel lezen, er komt geen eind aan. Ik moet nog zoveel vergeten.

Patrick Süskind heeft dezelfde lezerskwaal. ‘Een immens verdriet overvalt me. De oude ziekte heeft me weer te pakken: amnesie in litteris, het complete literaire geheugenverlies. (…) Waarom dan lezen, waartoe dan bijvoorbeeld dit boek nog eens lezen terwijl ik weet dat binnen de kortste keren niet eens de schim van herinnering beklijft?’

Ik moet toegeven dat ik bij deze paragraaf overvallen werd door een wertheriaanse, ietwat romantische wanhoop. Ik had alle symptomen, het verdriet en het vergeten. Ah, wij, lezers, zijn allemaal ziek van boeken. Toch blijven we lezen, tot in den treure, niet wetend waarom we soms zo neerslachtig zijn.

Want waarom alle boeken van A.F.Th. gaan lezen? Al die uren die zonder meer ‘in een Lethestroom verdwijnen’, zoals Süskind het zo mooi schrijft. Marcel Janssens, hoogleraar Nederlandse en Europese literatuur, heeft een beter voorstel. ‘In Esquire verschijnt een essay over Adri van der Heijden, met samenvattingen van zijn boeken, met citaten en al, zodat je dankzij deze ‘portable Van der Heijden’ (…) ook kunt meepraten over de auteur van De tandenloze tijd, zonder dat je al die dikke volumes moet gaan lezen.’ Waarom zou je? ‘Distinctiedrang’ noemt hij de ziekte van het lezen in zijn geciteerde essay over postmodernisme. Het klinkt als een psychose uit de pen van deze ironische professor.

‘Maar misschien is lezen eerder een impregnatief gebeuren, waarbij het bewustzijn wel grondig wordt doordrenkt, maar dan op zo’n osmotische wijze dat het dit proces niet gewaarwordt.’ Deze prachtige apologie voor de literatuur noemt Süskind ‘een uit nood geboren, een onwaardige en rotte troost’. Ik kan er wel mee leven. Ieder boek is volgens hem een poëtische imperatief: ‘Je moet je leven veranderen.’ Het zou uit een door zijn amnesie weggeveegd gedicht komen.

Al die tijd dacht ik aan die zin, dat vers. Bij ieder boek dat ik las. Ik kon er zowaar vrede mee nemen. Terwijl het gebod sussend over mijn hoofd aaide vroeg ik me steevast af welke dichter me deze wijsheid had bijgebracht. Net zoals alle minuscule ontdekkingen viel ook deze onverwacht uit de lucht.

‘Du mußt dein Leben ändern.’ Het staat er echt, bij Rilke. Het gedicht heet Archaïscher Torso Apollos, over een beeld door vergetelheid verminkt. ‘Je moet je leven veranderen: het gebod kijkt ons aan in de verblindende schoonheid van een beeld dat toont hoe volmaaktheid oplicht uit gemis.’ Mooier, juister en beter dan Paul Claes zal ik nooit iets kunnen zeggen.

En nu, aan het eind, de vraag of ik wel juist begonnen ben. Had ik niet moeten beginnen waar het voor mij allemaal begonnen is? Met De avonden van Gerard Reve. ‘Mensonterend proza’, noemde Godfried Bomans het. Misschien toch maar niet. Straks denkt u dat ik verziekt ben, Bomans dacht het toch van Reves psyche.

Of misschien had ik het prille begin moeten nemen. Het eerste woord uit de bekende westerse literatuur. Met ‘mènin’ begon Homerus de Ilias, bijna drie millennia geleden. Wrok, een bitter gevoel in het hart. Met verdriet begon de literatuur, met haat, met ‘mènis’, een diepgewortelde ziekte. Het is niet enkel van deze tijd. Misschien toch maar niet, anders lijk ik zo zwartgallig.

Een blij boek dan, daar had ik mee moeten beginnen. Heb ik ooit zo’n boek gelezen? Alweer word ik getergd door amnesie. Ik denk het niet. In ieder geval ben ik het vergeten.

Ik heb maar weet van een enkele dokter voor mijn lezersziekten. Hij werd geboren in 428 voor Christus. ‘Men moet beseffen dat in een maatschappij literatuur alleen mag worden toegelaten in de vorm van hymnen en beschrijvingen van goede mensen.’ Dit was Plato’s diagnose. Hij wilde Homerus verbannen, hem die pijn zo mooi kon schrijven. Wilde hij dit echt? Wilde hij ook niet gewoon zijn leven veranderen?