Onno Kosters krijgt Filter prijs voor vertaling Watt
![]()
Dat Wachten op Godot in de eerste plaats een humoristisch stuk was, dat werd mij althans in het secundair onderwijs niet onmiddellijk diets gemaakt door het onderwijzend personeel van die tijd. In plaats daarvan werd je verzocht stevig na te denken over Sartre’s dictum (l’existence précède l’essence) waarmee het existentialisme werd gepositioneerd tegenover een lange filosofische traditie die begon bij Plato. De mens was “in het bestaan geworpen” en dat was een ernstige aangelegenheid - “absurd” was een populaire uitdrukking - en de geschriften van iemand als Beckett waren daar illustraties van. Ach, het is allemaal waar natuurlijk, maar dat dit alles evenzeer een bron van humor was, dat was mijn goede leraren blijkbaar ontgaan. Dat ontdekte ik pas later, bij het lezen van romans als Murphy en Mercier and Camier. Maar het grappigst van al is waarschijnlijk wel Watt, een boek dat door Onno Kosters werd vertaald. Stukken uit die vertaling verschenen eerder in De Brakke Hond: in nr. 65 het begin van Watt, waarvan de eerste paragraaf:
Meneer Hackett sloeg de hoek om en zag, in het kwijnende licht, een eindje verderop zijn bankje staan. Het leek bezet. Dat bankje, hoogst waarschijnlijk gemeentelijk eigendom, of openbaar, was natuurlijk niet van hem, maar hij beschouwde het alsof dat wel zo was. Zo was nu eenmaal meneer Hacketts houding ten opzichte van dingen die hem dierbaar waren. Hij wist dat ze niet van hem waren, maar hij beschouwde ze alsof ze wel van hem waren. Hij wist dat ze niet van hem waren, omdat ze hem dierbaar waren.
En later, in nr. 89, nog eens een vrolijk stuk uit hoofdstuk drie. Voor die vertaling heeft Kosters blijkens een bericht op De Papieren Man de eerste Filter vertaalprijs [pdf] gekregen. Deze prijs wordt o.a. toegekend voor “de creativiteit van de vertaler bij het oplossen van vertaalproblemen”. En vertaalproblemen zijn er meer dan voldoende in Watt, het tweede stuk uit De Brakke Hond geeft daar naar mijn gevoel een aardig idee van.