Niet onze slimste broeders
Er zijn nog steeds lieden die denken dat zoekmachines er alleen zijn om het leven van de internauten te veraangenamen. Nu ja, dat was wel de oorspronkelijke bedoeling, maar de zoekmachine is slechts een intermediair en tegenover de zoekers staan de aanbieders. Aanbieders willen gevonden worden. En omdat zoekmachines er nu eenmaal een bepaald algoritme op na houden om webpagina’s te sorteren, is er aan de kant van de aanbieders een ganse industrie ontstaan rond het behalen van de best mogelijke posities in de zoekresultaten. Logisch, de meeste aanbieders hebben al lang begrepen dat ze er alle belang bij hebben zo hoog mogelijk op te klimmen. Pakweg de eerste vijf resultaten krijgen het leeuwendeel van de bezoekers, de volgende vijf nog maar een fractie en als je op de volgende pagina staat ben je zo goed als dood. Als je daarnaast bedenkt dat een substantieel deel van het bezoek op een site afkomstig is van zoekmachines (in Europa mag je dat best vereenvoudigen tot Google) dan is de rekening gauw gemaakt. Veel sites houden bij het plaatsen van artikels rekening met de ongeschreven wetten van de zoekmachines. Toen ik vandaag bij Marie-José Klaver las dat “journalisten van De Telegraaf en VNU een cursus Schrijven voor Google” mochten volgen, moest ik terugdenken aan dat New York Times artikel van vorig jaar waarmee het debat op gang getrokken werd: This boring headline is written for Google. Humoristisch en goed geschreven legt het al in de titel de vinger op de wonde: een titel met humor, fantasie en woordspelingen is efficiënt om menselijke lezers tot lezen aan te zetten, maar zoekmachines behoren nu eenmaal tot het computerpark en daar wonen niet onze slimste broeders. Weg dus met die lastig te begrijpen mensencreativiteit. Niet iedereen is daar blij mee, dat spreekt voor zich, maar aan de andere kant is ook wel duidelijk wie op internet de lakens uitdeelt. Niet alleen betekent het “optimaliseren” van pagina’s voor zoekmachines meer bezoek, meer bezoek betekent meer advertentiegeld en dat is nodig, want meer nog dan de papieren wereld is de online wereld afhankelijk van advertentieinkomsten, en geld, dat is algemeen geweten, bezit net zoals de zwaartekracht het vermogen om het licht af te buigen. Zoekmachines als Google en Yahoo regelen trouwens niet alleen het internetverkeer, ze hebben zelf ook een advertentienetwerk ontwikkeld waarmee ze wereldwijd een heleboel sites aan een financieel infuus houden. Want de sites waarop advertenties worden vertoond, hebben een percentage op elke klik. Google advertenties: er is geen site meer waar ze niet op te vinden zijn, zelfs een mini-site als De Brakke Hond staat aan te schuiven voor enkele schamele dollars. Saaiheid, we zijn er dol op.
Update:
Ik zie net dat Nielsen cijfers uit heeft [pdf] over de bruto advertentiebestedingen: voor alle segmenten samen tekende 2006 voor een stijging van 3%. dagbladen: +1% tot 768 miljoen; publiekstijdschriften: -2% tot 419 miljoen, internet: +36% tot 205 miljoen. Andere stijgers zijn ongeadresseeerde brievenbusreclame en out of home. Alle stijgers eten uit de ruif van het dalende aandeel van tv reclame.


