Savage Republic
![]()
![]()
![]()
Soms zet de bokssport de wereld op zijn kop, Arthur, vliegende aap. Soms zet boks de dingen op zijn kop. Op het canvas kan boks je kijk behoorlijk ondersteboven halen. In 1974 ging de nobele bokssport de Afro-Amerikanen voor naar hun Roots. Don King, de discutabele boksmakelaar… Makelaar in boksen. Dat lijk me ook nog wel wat! En wat verkoopt mijnheer? Boksen. Hier, zie: saflet! kroket! zwoek! De King annonceerde dat vierhonderd jaar slavernij genoeg geweest waren en dat de zwarten eindelijk weerkeerden naar hun continent. Recht in the heart of darkness, in Kinshasa, organiseerde hij een clash of the titans tussen George Forman en Mohammed Ali, “The greatest”, bij de autoriteiten bekend met zijn slavennaam “Cassius Clay”. The Rumble in The Jungle. Ook hield het land, onder het waakzame bigger than life oog van de dictator het WK Voetbal. Het was de Afrikaanse evenknie van de Olympische Spelen van 1936 in nazi-Duitsland. Rond dezelfde tijd vond er in Kinshasa een African Woodstock plaats. Naast o.a. James “The Godfather of Soul” Brown trad het beste aan wat de Afrikaanse pop op dat moment te bieden had. Hier te lande sprongen de inboorlingen rond op een neo-koloniaal hitje “In Zaïre“, de mongoolse vertaling van de Vogeltjesdans
Ik heb twee blogs, Arthur. De een literair, de ander vulgair. Veel bezoekers, literaire ramptoeristen die komen kijken hoe ik op mijn bek ga. Water en bloed zweet, een stuk tand uitspuug. Azijn drink, mijn gal spuug. Kunstjes probeer te verkopen – De een is een cultuurpaleis, ze durven er niet te lachen, ze lopen er rond alsof ze van de hele week nog niet hebben kunnen kakken, Arthur. Kun jij je dat indenken? De andere daarentegen biedt de grootse sfeer van boksmatchen. Vanuit het donker van de rokerige zaal roept men onbeschaamd zo maar van alles. Graffitti op het trommelvlies. Een levende chatbox… Mijn publiek, Arthur, leert mij schrijven… Het is zoals op een podium staan, als ik iets verkeerd zeg, dan brullen en brallen ze mij onmiddellijk de correcties toe, geen redactie nodig. Het is geleden sinds Dirk Martens dat we ons nog zo geamuseerd hebben!
De dag wordt donkerder. Ik fleur op. De fanmail is hartverwarmend. Ik doe een greep uit de post. Eentje schrijft:
“…. En weet je wat ik nu net zo knap vind aan dat (cyber) schrijven van je in je -maar ‘t wordt ook het onze- “virtuele Luiletterland cyberspace”, waarin ik (je publiek dus) kan “zien hoe jij schrijft, en herschrijft, schrapt en herformuleert” “
Mijn teksten hangen in die virtuele ruimte, als stukken lillend vlees. Allemaal huismoeders aan de cherry die mij schrijven, Arthur. Gesjeesde studenten, gekken, werklozen, textielbaronnen, schrijven en verbeteren mijn teksten. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Dit wordt mijn nieuwe schrijversnaam: Didi de Paris en de A.A. (de Anonieme Auteurs).
Luister, nog een ander schrijft: “En zo is ‘t inderdaad dat “je gestuntel me amuseert”. Dat gestuntel, verschrijven, is pas “ECHT”. Het is net de “ongekuiste” taal die nog veel dichter bij de (jouw/mijn/de lezer zijn) werkelijkheid ligt. Het is dus iets puur, iets tussen embrionaal en pasgeboren stadium in: GARNAAL!”
Zie je, in die teksten van mij heeft alles zin. Zelfs een dooie mus die van het dak valt! Hier gaat niets verloren. Geen cosmisch zwervuil in cyberspace. Hou het proper! En het is niet zoals bij Jimmy Frey die zelf de bloemen kocht die hem achteraf na het optreden spontaan aangeboden werden. Zie je, alles komt terug! Ook de fans:
“‘t Is gaat ook niet louter en alleen om “TAAL” , maar vooral om de manier van “ZIEN”/”ZIJN” in dit “garnaalstadium” en waarvan taal dan wel een weergave kan zijn die dit “zien”/”zijn” kan vatten/weergeven. Taal is dus niet meer of niet minder dan de een “geleider” van de ene werkelijkheid naar de andere werkelijkheid,..geenwerkelijkheid dus?”
De taal rauw als blues. Of is ze stoned als een garnaal? Een andere, een mindervalide, pas terug uit Lourdes, schrijft mij:
” Volgens mij is taal niet bedoeld om mensen te onderdrukken, maar net om mensen te doen/laten bestaan en is het aan de dichter om de taal zo te gebruiken om de mens (de lezer in dit geval) te doen/laten bestaan. Wat een job!!! Het is inderdaad een krachtmeting, een boksmatch tussen lezer en schrijver. In zo een auteur vind ik een prachtige tegen-/medespeler in mijn “gevecht” om mijn bestaan!”
De taal als videogame. Ik plaats mijn stukjes op blogs, als een tatoe op het netvlies van InterNep. Hier in de grote onbeperkte elektronische ruimte kan iedereen het masker aantrekken dat hij of zij wil en de rol spelen naar believen. Cyberspace dat is het wereldweidse bal masqué. Als ze denken dat ze in de hel zijn, dan zijn ze er. Het is hun denken dat hun graad van vrijheid bepaalt. Liteartuur, dat is wat men oploopt in bars en bordele, Arthur. En ik wil dat iedereen wordt gelijk gij, een wildeman. Ik zal pas rusten als er vierhonderddrieëndertig cloons van jou rondlopen! Een smet op mijn blank zieltje. Vergeef me!