In welk boek zou u willen veranderen?
Stel dat op al die duizenden bezoekers plots één iemand om een onverklaarbare reden in een boek zou veranderen.
Dat beeld ik me in terwijl ik zit te signeren op de Boekenbeurs. Die vrouw daar aan de kassa, hoe zou zij eruitzien als roman, vraag ik me af. Wat zou er op haar kaft staan als zij plots bestaand uit enkel bedrukt papier ergens op een stapel zou liggen? Wat zou haar eerste zin zijn? Hoe zou de korte inhoud luiden op haar achterflap? Zou ik haar openslaan of alleen even over haar titel strijken? En die man daar aan de overkant, zou hij spannend zijn als boek? Zou ik zijn pagina’s driftig omslaan? Zou ik hier en daar een ezelsoortje in hem maken? Of één klein venijnig scheurtje? Zou ik hem meenemen naar bed of net achteloos vergeten op de badrand?
‘In welk boek zou u willen veranderen?’ Ik vraag het aan twee toekomstige lezers van ‘Poolijs’, mijn debuutroman.
Ida loopt met een propvolle plastic zak op me toe.
‘Leesvoer voor een heel jaar,’ zegt ze, mijn blik volgend. ‘Ik leg een hele voorraad aan. Ik koop hier zo veel boeken dat ik ze straks thuis moet verstoppen. Mijn man mag ze niet zien. Anders wordt hij kwaad.’
Ida kijkt mij bedenkelijk aan als ik haar mijn vraag stel en zegt na enig aarzelen:
‘Als ik dan toch in een boek zou moeten veranderen, dan het liefst in een kookboek. Kookboeken staan vol mooie woorden. Rozemarijn, prinsessenbonen, jasmijn, sjalotten. En een kookboek, dat ligt open en bloot op het aanrecht bij ons thuis, dat wordt niet verstopt.’ Ida staart even star voor zich uit.
‘Of nee, een tijdschrift,’ gaat ze alweer verder. ‘Ik zou wel eens zo’n typisch roddelblad willen zijn. Tijdschriften worden door iedereen opgetild en doorbladerd. Ze gaan gezellig kreuken. En ze worden overal mee naar toe genomen. Van thuis naar het kapsalon en vandaar naar de fitness en de tandarts. Als tijdschrift weet je nooit waar je zal belanden op het einde van de dag.’
Jos, een struise zestiger, glimlacht als ik hem mijn vraag stel.
‘Dan zou ik in een atlas willen veranderen,’ zegt hij met een zekere weemoed in zijn stem. ‘Dan kunnen mensen vakantiebestemmingen in me opzoeken en reizen in me uitstippelen. Ik hou van reizen. Ons Gerda en ik, wij zouden naar Vietnam gaan. Wij hadden dat al jaren gepland. Ons Gerda heeft daar een pleegkind via Fosterparents. Ons Gerda.’ Jos zwijgt plots, schudt het hoofd en vraagt dan: ‘En u? In welk boek zou u willen veranderen? In uw eigen boek?’
In zo veel boeken, denk ik en haal mijn schouders op. Maar als ik dan toch in mijn eigen roman zou moeten veranderen, dan het liefst in het allereerste exemplaar dat ik signeerde. Voor een man met een lange overjas was dat. Hij had er eerst minutenlang in staan bladeren, voorzichtig, als aaide hij doorheen lang meisjeshaar. Dat exemplaar zou ik willen zijn. En dan hopen dat hij hier en daar een aantekening in me maakt, wat koffie morst, wat kruimels vergeet weg te vegen, af en toe ergens een potloodstreepje zet, een teken achterlaat van: gelezen.
Ruth Lasters, voor GVA, 08/11/06